Zelfdoding per leeftijdsgroep (2016)

2016

Suïcide komt zowel bij vrouwen als bij mannen op relatief jonge leeftijd voor. De helft van de zelfdodingen gebeurt bij mannen jonger dan 51 en vrouwen jonger dan 53 jaar (mediaan), terwijl slechts 5% van alle sterfgevallen in Vlaanderen voorkomen bij personen jonger dan 53 (P5).

Het aantal verloren levensjaren door suïcide is daarom hoog. Het grote aantal sterfgevallen op relatief jonge leeftijd zorgt ervoor dat suïcide bij mannen de 2e belangrijkste oorzaak van verloren levensjaren is na longkanker. Bij vrouwen is suïcide de 3e belangrijkste oorzaak van verloren levensjaren na borst- en longkanker. We berekenden hier “standard expected” verloren levensjaren (SEYLL) tot 74 jaar.

Meer dan 1 op 5.000 mannen boven de 20 jaar pleegde suïcide in 2016.

  • Bij ‘actieve’ mannen (20-59 jaar) was de suïcide-incidentie het hoogst bij de 45-tot 49-jarigen.
  • Zoals in vorige jaren, doodden bejaarde mannen (80 jaar of ouder) zichzelf even vaak of nog vaker dan ‘actieve’ mannen.
    De cijfers bij mannen van 80 jaar of meer liggen wel veel lager dan in 2000.

Voor alle leeftijden zijn de suïcidecijfers voor vrouwen lager dan die voor de mannen van dezelfde leeftijd. Bij vrouwen van 15 jaar of ouder varieert het suïcidecijfer tussen 5 en 24 op 100.000 vrouwen.

Leeftijdsspecifieke suïciderisico en sterfterisico ‘onbepaalde intentie’ (per 100.000 inw.), mannen en vrouwen, Vlaams Gewest, 2016

Leeftijdsspecifiek suïciderisico en sterfterisico ‘onbepaalde intentie’ (per 100.000 inwoners), mannen en vrouwen, 2016
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2016
Download: xlsx bestandcijfers suicide per leeftijd (...-2016) (149 kB)

Evolutie

Mannen

Het aantal zelfdodingen per 100.000 inwoners was bij mannen in vele leeftijdsgroepen lager in 2016 dan in 2000, behalve bij 50-59-jarigen. De daling was het sterkst bij 80+’ers.

  • Bij jongeren en jongvolwassenen (15-44 jaar) was het suïciderisico in 2016 rond 1 per 10.000 lager dan in 2000. Dit is een daling met ongeveer een derde. Als we ook rekening houden met het aantal sterfgevallen waarvan de intentie niet kon bepaald worden, zien we in deze leeftijdsgroepen een minder uitgesproken daling.
  • Voor de mannen tussen 45 en 59 jaar waren de cijfers minder gunstig: bij deze leeftijdsgroepen lagen de suïcidecijfers in 2016 gemiddeld iets hoger dan in 2000 (+2%). Als we ook rekening houden met het aantal sterfgevallen waarvan de intentie niet kon bepaald worden, zien we een nog sterkere stijging (20%).

  • Het aantal suïcides bij mannen tussen 60 en 79 jaar was in 2016 wel beduidend lager dan in 2000. We stellen dalingen vast van 19%. Als we ook rekening houden met het aantal sterfgevallen waarvan de intentie niet kon bepaald worden, zien we dezelfde, maar getemperde trends (-3%).

  • Het suïcidecijfer bij mannen van 80 jaar of ouder daalde sterk: in 2016 pleegden 3 mannen minder op 10.000 suïcide dan in 2000. Hun suïciderisico was zo 41% kleiner dan in 2000.

Vrouwen

Ook de suïcidecijfers bij vrouwen daalden in sommige leeftijdsgroepen, en stegen in andere.

  • Bij vrouwen was de daling van de zelfdodingscijfers het sterkst bij 35-39-jarigen (-80%).

  • Bij 45-54-jarigen zien we, net als bij mannen een beperkte stijging (+2%), die versterkt wordt als we ook rekening houden met de sterfgevallen waarvan de intentie niet kon bepaald worden (+31%).

  • Ook bij vrouwen is het aantal sterfgevallen waarvan de intentie niet kon bepaald worden gestegen, en dan vooral tussen 35 jaar en 79 jaar.

Evolutie leeftijdsspecifieke sterftecijfers door suïcide en 'onbepaalde intenties' (per 100.000 inw.), mannen en vrouwen, Vlaams Gewest, 2000 versus 2016

Evolutie leeftijdsspecifieke sterftecijfers door suïcide en onbepaalde intentie, mannen en vrouwen, 2000 versus 2016
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2000 en 2016
Download:xlsx bestandcijfers suicide per leeftijd (...-2016) (149 kB)

Databestand: Sterftecertificaten personen van 1 jaar of ouder

Bij een overlijden vult de arts die het overlijden vaststelt de A, B en C-strook van het overlijdenscertificaat in. Een gemeenteambtenaar vult de D-strook in. De gemeente waar het overlijden heeft plaats gevonden, stuurt de B-, C- en D-stroken maandelijks op naar Zorg en Gezondheid, de A-strook blijft in de gemeente. Zorg en Gezondheid ontvangt zo de sterftecertificaten van alle Vlaamse (en Brusselse) gemeenten.