Veelgestelde vragen over de hervorming van de eerstelijnszorg

Op deze pagina:

 

Conceptnota ‘Een geïntegreerde zorgverlening in de eerste lijn’

Wat is de status van de conceptnota ‘Een geïntegreerde zorgverlening in de eerste lijn’ ?

De conceptnota is aangenomen door de Vlaamse Regering op 17 februari 2017. Het Samenwerkingsplatform Eerstelijnsgezondheidszorg en de Strategische Adviesraad Welzijn, Gezondheid en Gezin gaven hun advies. De conceptnota vormt de basis voor aanpassing van de regelgeving en nieuwe regelgeving.

Wanneer zal de patiënt/cliënt de hervorming, “het verschil”, ervaren?

Volgens de timing van het e-gezondheidsplan kan elke zorgverstrekker in 2020 op een gedigitaliseerde manier werken. Het multidisciplinair delen van het zorg- en ondersteuningsplan kadert hierin. Dat is een voorbeeld van een verandering die dan in de dagelijkse praktijk zichtbaar zal zijn.

Er komt natuurlijk een druk om dit proces zo snel mogelijk concreet te maken. Toch is het belangrijk om te investeren in de vraag waar je naartoe wil; dan vermijd je dat er later zand in de motor komt. De tijd die je nu investeert in het bepalen van het gemeenschappelijke doel, win je terug achteraf. Het is een evenwichtsoefening; als je de partners wil blijven boeien, moet het wel concreet worden.

Eerstelijnszones

Aanvragen en vorming eerstelijnszone

 

Moeten huisartsenkringen samenvallen met eerstelijnszones?

Er is geen één-op-één relatie nodig tussen een huisartsenkring en een ELZ. Het is mogelijk dat een huisartsenkring meerdere eerstelijnszones omvat, of omgekeerd: een eerstelijnszone kan meerdere huisartsenkringen tellen. Het zal de (samen)werking wel vergemakkelijken als de grenzen van de huisartsenzones samenvallen met de eerstelijnszones. De overheid kan dit wel stimuleren, maar heeft niet de intentie om dat te verplichten.

Hebben de aangekondigde fusies van gemeenten een impact op de vorming van de eerstelijnszones?

Een (fusie)gemeente kan slechts tot één eerstelijnszone behoren. Een fusie van gemeenten leidt dus tot een hertekening van de eerstelijnszones, behalve wanneer de gemeenten die fuseren tot één eerstelijnszone behoren. Als gemeenten een aanvraag (zullen) indienen om te fusioneren, is het aan te raden dat de initiatiefnemers voor de vorming van een eerstelijnszones daarop anticiperen.

Ziekenhuisnetwerken zijn provinciaal grensoverschrijdend. Kan een eerstelijnszone dan scharnieren met ZH-netwerken?

Ja, dat kan. De provinciegrenzen zijn ook voor de eerstelijnszones geen hard criterium. Idealiter vallen de ziekenhuisnetwerken samen met een aantal eerstelijnszones die dan een regionale zorgzone vormen.

In welke mate zullen de aanvragen van de eerstelijnszone afgetoetst worden aan de ziekenhuisnetwerken die nu gevormd worden?

Afstemming hierin met de federale overheid is een belangrijk aspect, maar we weten allemaal dat het niet loepzuiver zal zijn. In de Vlaamse afweging van de ziekenhuisnetwerken zullen we kijken of er consistentie is met de eerstelijnszones. Er moeten taakafspraken gemaakt worden over wie welke opdrachten in het netwerk opneemt.

Gaan er geen 60 verschillende eerstelijnszones komen die erg van elkaar verschillen?

Het is een oefening om de komende twee jaar te zoeken naar een evenwicht tussen wat we in de eerstelijnsconferentie hebben afgesproken over opdrachten en taken van een eerstelijnszone én de autonome invulling die de partners in elke eerstelijnszone eraan zullen geven. De eigen context zal de eigenheid bepalen. Ze moeten wel voldoende op elkaar lijken om uniform te werken. Ook is het de bedoeling om tussen transitiecoaches intervisie te organiseren, zodat er uniformiteit in aanpak/proces komt. Dat zullen we bewaken.

Concreet voorbeeld: het pilootproject Dender is niet gelijk aan Zuid-Oost Limburg, maar door de methodiek is de basis vrij gelijk. Maar zones moeten zeker verschillen, want anders is er te weinig rekening gehouden met de eigenheid van de zone.

Er is onrust bij veel zorgverleners. Ze zien niet welke richting de structuren uitgaan. Wat moet een eerstelijnszone doen?

In de pilootprojecten is veel gediscussieerd over de kernopdracht. Iedereen bekijkt dat vanuit zijn eigen perspectief, maar de neuzen moeten in dezelfde richting. Een fundamentele vraag is: “Wat kan ik bijdragen aan de doelstellingen van de cliënt/patiënt?” Dat kan verschillend zijn; in een stedelijke context hebben bv. veel mensen geen huisarts, dat maakt een verschil. Je kan bij de samenstelling van het forum bv. partners uitnodigen die met kwetsbare groepen contact hebben. De kernopdrachten van de eerstelijnszone werden beschreven in de beleidstekst van de eerstelijnsconferentie (pag. 42 e.v.).

Er gaan veel lokale besturen niet weten over welke thema’s het allemaal gaat. Misschien willen de lokale besturen niet te snel gaan om nadien niet voor voldongen feiten te staan.

We moeten nu kunnen vertrekken. Het is het moment om vooruit te gaan. De ziekenhuizen en ook andere sectoren zoals de geestelijke gezondheidszorg zijn bezig om netwerken te vormen. De twee niveaus, eerstelijnszone en regionale zorgzone, moeten zo goed mogelijk met elkaar verbonden worden.
We gaan in 2018 geen eerstelijnszones erkennen, we geven wel de toelating om een proces op te starten om een echte eerstelijnszones te vormen. Nu willen we een intentie van de partners dat ze samen deze weg willen gaan. 

Vanuit lokale besturen hebben ze het idee dat er structuren bijkomen, naast bestaande. Welk samenwerkingsmodel is relevant?

Het is helemaal niet de bedoeling dat er structuren bijkomen. Dan is de oefening mislukt. Niet vanuit bestaande structuren denken, maar vanuit een populatie denken. We proberen beleidsmatig steeds meer in dezelfde richting te werken, en op mekaar af te stemmen.

Wordt het verplicht om een kringwerking uit te bouwen of aan te sluiten bij een kring?

De overheid zal op dat vlak niets verplichten, en we moeten ook bekijken hoe we de zelfstandige zorgverstrekkers bij dit hele proces kunnen betrekken. Kringwerking is één mogelijke manier die we kennen, maar er zijn uiteraard ook andere manieren om vertegenwoordiging te organiseren. Niettemin willen we via de eerstelijnszones inzetten op het ondersteunen van de (ontwikkeling van een) kringwerking van de verschillende beroepsgroepen. Er zijn al een aantal lokale initiatieven genomen op dat vlak. Het spreekt voor zich dat je als kring meer armslag hebt dan als individu; het is in ieders belang. Met een kringwerking kan een beroepsgroep gemakkelijker betrokken worden bij de werking van de eerstelijnszones.

Moeten eerstelijnszones vzw’s worden?

Niet in eerste instantie, maar er zal wel een juridische structuur nodig zijn voor werkgeverschap. Vanuit het programmamanagement wordt bekeken wat geschikte oplossingen zijn.

De overheid roept op om (intersectorale) netwerken te vormen, bij Jongerenwelzijn, VAPH, enz. Maar er zijn te veel netwerken, ze vallen niet samen, er worden andere grenzen gehanteerd (200.000-250.000 inwoners).

Soms worden bijkomende middelen toegekend voor extra aanbod vanuit samenwerkende partners en aanvullend bij het bestaande aanbod. De bedoeling van een zorgnetwerk is sneller en vlotter hulp te bieden. Een eerstelijnszone = coördinatie en afstemming, geen aanbod.

Personeel (SEL/LMN/GDT)

Wat houdt deze transitie in voor de medewerkers van SEL, GDT en LMN?

In de komende periode zal overlegd worden met de verantwoordelijken van SEL, GDT en LMN, en de medewerkers. De bedoeling is dat iedereen meestapt in de transitie. We gaan ervan uit dat iedereen die mee wil werken aan het verhaal van de geïntegreerde zorgverlening in de eerste lijn, ook effectief kan en zal overstappen. De huidige structuren zullen opgaan in de nieuwe eerstelijnszone, maar we hebben de knowhow van de medewerkers nodig. Als er een eerstelijnszone start, is het de bedoeling om personeel te werven bij LMN en SEL/GDT, zowel coördinatoren als administratief personeel.

Menselijk kapitaal is belangrijk, maar is er jobzekerheid? Waar gaan de personeelsleden van SEL, LMN en GDT werken?

In het kader van dit hervormingstraject gaat de Vlaamse overheid nagaan hoe er voor iedereen die tewerkgesteld is in SEL/LMN/GDT een sociaal aanvaardbare oplossing kan gezocht worden. Zorg en Gezondheid en het aangestelde programmamanagement hebben nog enige tijd nodig om de beoogde overdracht naar de nieuwe structuren, met continuïteit van rechten en plichten, juridisch te laten onderzoeken.
Wie de nieuwe werkgever wordt, is nog niet beslist. We bekijken op welk niveau het werkgeverschap van de nieuwe structuren het best kan georganiseerd worden zodat een maximum aan flexibiliteit voor de inzet van personeel kan ingebouwd worden.
We zullen de nodige stappen zetten om rechtszekerheid te creëren. We voorzien een transitieperiode, geen bruuske overgang. Stelselmatig zullen openingen gemaakt worden; we willen geen ervaring en talent verloren laten gaan. Vanzelfsprekend zullen afspraken gemaakt worden met het werkveld, sociaal overleg dus.

Er worden veel taken omschreven voor niet zo veel VTE. Hoe realistisch is dat?

Naast de uitgebreide lijst met taken die toebedeeld worden aan de eerstelijnszone, is er ook een lijst met prioritaire taken opgenomen in de beleidstekst. Dit zal een groeiproces worden, waarvoor we de nodige tijd moeten voorzien. Eerstelijnszones die snel tot een consensus komen en een werkbaar overlegmodel vinden, zullen ook ambitieuzer zijn en zelf middelen en personeel zoeken om de ambities waar te maken.

MDO is een groot pakket voor de huidige SEL/GDT: intervisie, administratie, financiering, enz. Het is veel meer dan administratief overleg. Hoe zal dat verlopen in de toekomst?

Dat moeten we bekijken. We kunnen bv. kwaliteitscriteria uitstippelen. Maar wat behoort best op welk niveau? De coördinatie van het overleg zal indalen op de eerstelijnszone; alles administratief opnemen, is nog iets anders. De vraag is op welk niveau we dat het meest efficiënt kunnen organiseren. We moeten vermijden om alles 60 keer zelf te doen.
Vanuit de organisatiekunde is er een gouden regel: laat het primaire proces leidend zijn. In dit geval dus de eerstelijnszones. De andere structuren zijn dienstig aan de eerstelijnszone, werken in functie van de eerstelijnszone. Denk als een operator. Iets wordt op een hoger niveau gelegd, als je daar een goede reden toe hebt. De essentie blijft: zorgverleners ondersteunen om patiënt/cliënt centraal te stellen.

MDO: er wordt aan financieringskader gewerkt, wat goed is. Wat met continuïteit? De SEL’s hebben nu een kader. Wordt ervaren als belangrijk. Het zou jammer zijn dat dit verloren gaat.

Uitgangspunten: uniform kader moet uitgewerkt worden. Gelet op nieuwe technologie moet fysiek overleg tot minimum beperkt worden. We moeten definiëren in welke gevallen er wel nog fysiek overleg nodig is. Het gaat dan om zorgcoördinatie of casemanagement. Eerder voor dit laatste zal fysiek overlegd worden. Een digitaal zorg- en ondersteuningsplan zal dit overleg rond de persoon met een zorgnood faciliteren. Het financieringsmodel moet geënt worden op de wijze van overleg rond de persoon.

Hoe wordt casemanagement ingevuld?

Er zal eerst nagegaan worden welke initiatieven er op dat vlak al bestaan en daarna zullen we onderzoeken welke acties nodig zijn om het casemanagement concreet in te vullen.

De erkende verenigingen van mantelzorgers en gebruikers hebben maar gemiddeld 1,5 VTE in dienst. Hoe kunnen ze een lokale vertegenwoordiging verzekeren in elke eerstelijnszone?

De betrokkenheid van deze verenigingen is belangrijk in het pilootproject Dender. De eerste prioriteit is om de stem van de mantelzorger en de persoon met een zorgnood te horen op Vlaams niveau, zodat er kan nagegaan worden hoe een lokale vertegenwoordiging kan bekomen worden in dialoog met de 60 eerstelijnszones. Deze vraag hoort in een breder kader. Een vereniging die bijvoorbeeld lokaal actief is voor mantelzorgers van dementerende personen kan een dergelijke vertegenwoordiging opnemen.

Het Vlaams Patiëntenplatform geeft aan dat een vertegenwoordiging kan bekomen worden mits er voldoende informatie en begeleiding voorzien wordt van de verschillende bestaande verenigingen.

De vertegenwoordiging kan ook breed gezien worden, als burger, en hoeft niet steeds gekoppeld te worden aan de huidige verenigingen van mantelzorgers en gebruikers.

Kunnen SEL, GDT en LMN blijven bestaan?

Het is niet de bedoeling dat er nog entiteiten of vzw’s blijven bestaan zonder opdracht.

Transitiecoaches

Er worden 5 VTE transitiecoaches voorzien voor heel Vlaanderen, is dat niet weinig voor 60 eerstelijnszones?

De inzet van transitiecoaches zal verschillend zijn: in de ene eerstelijnszone zullen ze een actievere rol spelen dan in de andere. In het pilootproject Dender wordt er gemiddeld 1,5 dagen per week ingezet. Deze inzet is zeker nodig in het begin om alle contactpersonen op te lijsten van de verschillende betrokken partners. Na een periode zal deze tijdsinvestering dalen. De SEL-coördinator wordt hierbij ingezet waarbij de eigen taken als SEL-coördinator als uitdovend beschouwd worden. Het SEL en LMN kan aangesproken worden voor de inzet van personeel en middelen bij de opstart van de eerstelijnszone. Ook CM stelt mensen vrij om hieraan te werken. 

Welke opdracht hebben de transitiecoaches?

De transitiecoaches kunnen het veranderingstraject inhoudelijk uitdiepen en begeleiden, samen met alle betrokken partners in uw zone. Het overleg rond het doel en de oprichting van een eerstelijnszone en de installatie van een Zorgraad behoort tot de opdracht.

De transitiecoaches staan in nauw contact met het team Eerste Lijn van het agentschap en het programmamanagement voor de reorganisatie van de eerstelijnszorg.

Samenwerkingsverbanden

Is een samenwerkingsverband met een huisartsenwachtenpost in een andere eerstelijnszone mogelijk?

Als deze samenwerking de patiënt ten goede komt, zal dat mogelijk zijn.

In hoeverre is er een structurele, formele samenwerking mogelijk op niveau van de regionale zone?

De verschillende eerstelijnszones binnen één regionale zone zullen aangemoedigd worden om te overleggen, af te stemmen en samen te werken, zowel onderling, als met de regionale zone. Bij de oprichting van de regionale zorgzones zal er ook vertegenwoordiging voorzien worden vanuit de eerstelijnszones.

Hoe wil de minister meer samenwerking concreet tot stand brengen tussen zorgverleners?

De samenwerking zal in grote mate afhangen van de realisatie van de digitale eerste lijn. De Vlaamse overheid deelt de ambitie met de federale overheid en de andere regio’s om een volledige digitalisering van de medische dossiers van de huisarts tegen 2020 te realiseren zoals geformuleerd in het actieplan e-Gezondheid. Voor Vlaanderen betekent dit dat tegen 2020 het multidisciplinair delen van een zorg- en ondersteuningsplan een feit is.
De zorgcoördinatoren en casemanagers zullen ook aanzetten tot samenwerking. Op termijn willen we komen tot duurzame samenwerkingsmodellen tussen zorgaanbieders.

Hoe gebeurt de samenwerking/werking in de transitiefase tussen de huidige en de nieuwe structuren als het geografisch werkgebied verschillend is?

De structuren die zich nu bevinden op het regionaal niveau, zoals de palliatieve netwerken/samenwerkingsverbanden, MBE’s, Logo’s, …. zullen pas na de formele oprichting van de eerstelijnszones evenals de ziekenhuisnetwerken en de regionale zorgzone, hun werkgebied aanpassen. In de transitiefase blijven de werkgebieden behouden.

Rollen en verwachtingen van verschillende actoren

Wat is de rol van de openbare besturen in de eerstelijnszone?

Goede ondersteuning van chronische zorg vraagt een link met met de lokale besturen en met het door hen gevoerde lokaal sociaal beleid. Zij zijn een onmisbare partner om geïntegreerde zorg te kunnen realiseren. In een samenleving met een toenemend aantal mensen met een chronische zorgnood (o.a. door de vergrijzing van de bevolking), zal preventie en eerstelijnszorg alleen maar aan belang winnen. De zorg zal zich in de komende jaren anders moeten organiseren. De focus verschuift van het behandelen van ziektes naar het voorkomen ervan en naar het behalen van een optimale levenskwaliteit binnen de grenzen van het mogelijke. Het zorgaanbod zal meer en meer moeten aansluiten op de behoeften van mensen met chronische aandoeningen, waarbij genezing vaak niet meer mogelijk is.

Het lokaal bestuur kan via het lokaal sociaal beleid bijdragen aan een leefomgeving die stimuleert tot gezonder leven en het verhogen van de kwaliteit van leven. Denk aan de inrichting van de publieke ruimte die uitnodigt tot beweging en sociale interactie, investeringen in sportinfrastructuur, het organiseren van zorg en zorgzame buurten, het stimuleren van gezonde huisvesting, de aandacht voor het bereiken van maatschappelijk kwetsbare doelgroepen en allerlei preventieve acties die kaderen in het concept van ‘gezonde gemeente’. In de rol van lokale beleidsvoerder hebben lokale besturen binnen de eerstelijnszone een forum om met de actoren  af te stemmen over de lokale invulling van zorgnoden en krijgen ze input voor het vormgeven van een gedragen lokaal sociaal beleid. Het geeft ook de mogelijkheid om op bovenlokaal niveau problematieken die zich lokaal stellen, maar onvoldoende beantwoord worden, ter bespreking te stellen. Bij de formele uitbouw van de eerstelijnszones zal er rekening worden gehouden met de regelgeving die van toepassing is op de openbare besturen. Zorg en Gezondheid gaat na welke mogelijkheden en beperkingen er zijn op dat vlak.

Zullen patiënten nog zelf hun arts of apotheker kunnen kiezen?

Patiënten zullen ook in de toekomst volledige keuzevrijheid hebben; aan dat principe wordt niet geraakt. En buiten de eerstelijnszone zal niemand voor de zorgverlening meer moeten betalen dan in de eerstelijnszone waar je woont. De eerstelijnszone zal een impact hebben op de organisatie van de zorg, zal de samenwerking bevorderen tussen welzijnswerkers en zorgverleners, kan initiatieven nemen naar bepaalde doelgroepen, enz. maar de zorgverlening op zich blijft voor iedereen gelijk, en tegen dezelfde prijs.

Het urencontingent gezinszorg is onvoldoende om continuïteit te verzekeren. Hoe kan de buurt ingeschakeld worden?

Volgens de beleidsvisie op een versterkte eerstelijnszorg zullen de zorgactoren inzetten op geïntegreerde en integrale zorg en ondersteuning. Het aanbieden, beheren en organiseren ervan worden samen gebracht tot een naadloos geheel. Continuïteit van zorg wordt daarbij een gedeelde verantwoordelijkheid, waarbij verschillende zorgaanbieders elkaar complementair kunnen aanvullen in functie van de zorgdoelen van de cliënt.

Zo zal ook ingezet worden op buurtgerichte zorg: een actieve samenwerking tussen professionele, vrijwillige en informele zorg in de buurt. In het geactualiseerde woonzorgdecreet wordt ingeschreven dat alle erkende woonzorgvoorzieningen (zoals de diensten gezinszorg) een buurtgerichte werking ontplooien.

Ook de lokale besturen kunnen initiatieven nemen rond buurtgerichte zorg. De lokale besturen dienen na te gaan welke opdracht ze willen opnemen. In het ontwerpdecreet lokaal sociaal beleid is een rol hiervoor voorzien voor de lokale besturen.

Wat wordt er verwacht van de woonzorgcentra? Er is bezorgdheid over de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en de kwaliteit van het residentiële woonzorgaanbod.

Woonzorgcentra maken integraal deel uit van de versterkte eerstelijnszorg. Ze zijn een woonzorgvorm waar bijzonder kwetsbare mensen kwaliteitsvol, veilig en geborgen kunnen wonen, leven en verzorgd worden. Zij zijn verplichte partners in de eerstelijnszone, ze hebben dus een belangrijke rol. Het is niet de bedoeling om enkel een partner te zijn op papier, maar om effectief betrokken te zijn bij de werking van de eerstelijnszones.

De visie op de woonzorgcentra wijzigt ten gevolge de veranderende noden van personen die beroep doen op hun de zorg- en ondersteuning, alsook wegens de wijzigende verwachtingen van de samenleving. Dit alles wordt beschreven in een conceptnota ‘Residentiële ouderenzorg, een échte thuis voor kwetsbare personen. Een stevige uitdaging voor de samenleving én zorgaanbieders’.

Net zoals de andere woonzorgvoorzieningen zijn woonzorgcentra aanspreekbaar op of nemen zij initiatief voor buurtwerking en dit in samenwerking en overleg met in de buurt relevante zorg- en welzijnsactoren en het lokaal beleid.

Goede woonzorgcentra zijn onmisbare schakels in het geheel van woon-, leef- en zorgvormen voor zorg- en ondersteuningsafhankelijke personen. Op het niveau van de regionale zorgzone zal nagegaan worden wat de noden zijn in het werkgebied en hoe het zorgaanbod beter kan worden afgestemd op de objectief vastgestelde noden binnen de regionale zorgzone.

Hoe kunnen de 25 wachtzones van tandartsen evolueren t.a.v. de 60 eerstelijnszones?

Deze problematiek is gekend in het pilootproject Dender. Hoe kan deze beroepsgroep best betrokken worden bij de eerstelijnszone? Hetzelfde geldt voor andere disciplines, zoals psychologen, ergotherapeuten, … Er wordt nagegaan wat de eerstelijnszone kan bieden aan deze vrije beroepen.

Flanders Synergy gaat na hoe de betrokkenheid kan verzekerd worden, door bijvoorbeeld niet telkens fysiek te vergaderen maar een online forum op te richten, zodat verplaatsing niet steeds nodig is. Een andere mogelijkheid is de oprichting van een veranderforum dat minder tijdsinvestering vraagt.

Er is geen één-op-één relatie nodig tussen de wachtzones van tandartsen en een eerstelijnszone. Het is mogelijk dat een wachtzone meerdere eerstelijnszones omvat, of omgekeerd een eerstelijnszone kan meerdere wachtzones hebben.  Het zal de (samen)werking wel vergemakkelijken als de grenzen van een wachtzone samenvallen met de eerstelijnszones.

Hoe passen de Huizen van het Kind hierin? Die zijn lokaal georganiseerd (op gemeentelijk vlak). Moeten die herorganiseren, op groter vlak, naar de eerstelijnszones?

Huizen van het Kind zijn een verplichte partner. Een integratie van de Huizen van het Kind met andere elementen uit de eerste lijn is zeker goed. De Huizen van het Kind zijn knooppunten van contacten en ze moeten zeker een plaats krijgen in een ELZ, maar ze blijven wel kleinschaliger georganiseerd. Het is niet de bedoeling om in een ELZ alle Huizen van het Kind om te vormen naar één Huis van het Kind.

Maatschappelijk werkers zitten niet in KB78. Dat geeft aanleiding tot diverse problemen.

KB78 is een bevoegdheid van minister De Block. Niemand twijfelt vandaag nog aan de nood aan maatschappelijk werkers, in diverse settings. De marsrichting is vooruit, we moeten het proces faciliteren en de juridische ballast, bv. voor het delen van gegevens, zoveel als mogelijk wegwerken.

Personen met een beperking komen niet in beeld. Hoe moeten die hierin geplaatst worden?

Gespecialiseerde zorg wordt op dit moment niet betrokken bij het verhaal van de eerstelijnszones. Ze zijn niet betrokken omdat het verhaal al complex genoeg is. Het proces stopt echter niet bij de huidige partners. De minister ziet deze sector op termijn ook hierin passen.

Financiering

Heeft deze hervorming te maken met hervorming van budgetten?

Neen. De tijd is rijp om de persoon met een zorg- en ondersteuningsnood centraal te stellen. Bovendien is door de staatshervorming Vlaanderen bevoegd geworden voor een aantal extra structuren. Het is onze intentie om het aantal en de werking van de ondersteuningsstructuren te vereenvoudigen en beter op elkaar af te stemmen.

Door de betere afstemming en samenwerking van de organisaties op het terrein zal een duidelijker beeld gevormd worden van de effectieve noden van de personen met een zorg- en ondersteuningsnood uit de regio (in plaats van aanbodgestuurd te werken, zoals we dat nu doen). Op deze manier kan de Vlaamse overheid in de toekomst meer rekening houden met bijvoorbeeld het inzetten van meer uren gezinszorg in de regio’s waar daar nood aan is.

Is er ondersteuning voorzien zodat men kan werken rond meertaligheid, kansarmoede, multiculturele samenleving, enz. ?

Er wordt geen afzonderlijke ondersteuning voorzien. We merken dat op het terrein hierover al veel expertise is, bv. bij de OCMW’s. We motiveren de eerstelijnsactoren om ook rond deze belangrijke thema’s samen te werken en te leren van elkaar. Voor de transitiecoach zal het belangrijk zijn om ook minder voor de hand liggende (ervarings)deskundigen te betrekken bij de vorming van zorgzones. Dit geldt niet enkel voor Brussel uiteraard, ook andere (groot)steden zullen hier rekening mee moeten houden. We zullen ook in de ontwikkeling van het zorg- en ondersteuningsplan hiermee rekening houden.

Krijgen de eerstelijnszones financiële ondersteuning?

In 2018 kunnen er vanuit SEL/GDT/LMN al personeelsleden en werkingsmiddelen ter beschikking gesteld worden voor de eerstelijnszones. De regelgeving biedt hiervoor de nodige flexibiliteit en de opdrachten van het SEL en LMN komen overeen met een deel van de opdrachten van de op te richten eerstelijnszones.

Eerstelijnszones/zorgraden zullen vanaf 1 januari 2020 gefinancierd worden met middelen die onttrokken worden aan de subsidie van SEL, GDT en LMN. De subsidie aan SEL, GDT en LMN blijft gewaarborgd tot 31 december 2019.

Wat wordt er verwacht naar financiering van de ELZ, wat door Vlaanderen, wat vanuit de gemeentes/OCMW's?

De Vlaamse overheid neemt het initiatief om eerstelijnszones op te richten en zal ook instaan voor personeel en middelen. We voorzien (op termijn) ook de mogelijkheid dat deelnemende organisaties/partners of openbare besturen eigen personeel of middelen inbrengen in de eerstelijnszone, maar steeds op vrijwillige basis.

Personeelsleden en coördinatoren van SEL nemen nu al het zekere voor het onzekere en verlaten de organisatie. Maar nu nog nieuw personeel zoeken, is bijna onmogelijk. In hoeverre is budget gegarandeerd? Grote zorg voor bestuurders. De hervorming duurt al lang en moet eindelijk opgelost worden.

De kapitale waarde van de medewerkers is enorm belangrijk. Verlaat niet zomaar het zorglandschap. Het verhaal groeit, we doen niet zomaar altijd andere zaken maar we bouwen hierop voort. In 2018 en 2019 verandert er nog niks structureels. Wel alle begrip voor de situatie. We moeten hard werken aan de vorming van die ELZ en de medewerkers moeten al ondersteunend ingezet worden. Zo kan die overgang geleidelijk verlopen. Er is geen one size fits all-oplossing. Er zal maatwerk moeten gebeuren. Iemand in het SEL kan evolueren naar een werksituatie in een ELZ.

Bij vervanging van personeel dat de organisatie verlaat, wordt aangeraden enkel met tijdelijke contracten te werken.

Hoeveel personeel is voorzien voor een eerstelijnszone?

Er zijn momenteel 90 VTE ter beschikking voor 60 eerstelijnszones. Echter, dit aantal VTE is niet overal gelijkmatig verdeeld, er zullen kleinere en grotere eerstelijnszones zijn, en waarschijnlijk meer of minder dan 60 eerstelijnszones, … De verdeling van het aantal VTE zal dus ook onderwerp van discussie worden. We gaan ervan uit dat de personeelsbezetting een groeiproces wordt, waarvoor we de nodige tijd moeten voorzien. Eerstelijnszones die snel tot een consensus komen en een werkbaar overlegmodel vinden, zullen ook ambitieuzer zijn en zelf middelen en personeel zoeken om de ambities waar te maken.

Pilootprojecten

Flanders Synergy zal twee projecten begeleiden. Worden de resultaten hiervan teruggekoppeld?

Absoluut, de bedoeling is juist om het pad te effenen en een aantal zaken uit te klaren. Maar we wachten niet tot de projecten van Flanders Synergy afgerond zijn, om verder te werken. Wie vooruit wil, moet de kans krijgen. De bevindingen en resultaten van de projecten Flanders Synergy worden gemeld naar de sector via een nieuwsbrief, websites en symposia.

Waaraan werken de pilootprojecten?

De pilootprojecten formuleren een antwoord op vijf essentiële vragen:

  • Waarom moeten wij iets gaan veranderen?
  • Waarom bestaan wij als eerstelijnszone?
  • Waarvoor staan wij als eerstelijnszone?
  • Welke kernopdrachten (processen met een finaliteit) moeten wij georganiseerd krijgen?
  • Vanuit welke leidende principes zien wij iedereen binnen onze eerstelijnszone samenwerken?

Hoe garanderen de pilootprojecten de inbreng van zelfstandige zorgaanbieders?

Het piloot ELZ Dender is vertrokken van de verplichte groepen uit het aanvraagdossier. Binnen elke groep werd dan onderling afgestemd om één persoon naar voor te schuiven die dit kon opnemen.

Omdat de input van en terugkoppeling naar de groep van zelfstandige zorgaanbieders belangrijk is, werd, naast de twee algemene infomomenten, een afzonderlijk infomoment voor hen georganiseerd. Na de algemene info voerden zij tafelgesprekken rond de insteek: hoe kunnen wij jullie best informeren, hoe kunnen wij makkelijkst jullie input ontvangen, … Zo ontstonden ondermeer nieuwsbrieven, contactformulier op onze website, … Door de dynamiek die hierdoor ontstond, hebben de zelfstandige zorgberoepen de nood aan organisatie voor hun groep ook aangevoeld en de koe bij de horens gevat. Op dit moment zijn een aantal zelfstandige zorgberoepen zich aan het organiseren met de ondersteuning vanuit het veranderteam, soms als afzonderlijke beroepsgroep, soms als clustering van een aantal (omdat ze afzonderlijk te klein zijn).

Waar is de plaats van de patiënt in de pilootprojecten?

De patiënt zit in het forum. Een vertegenwoordiger van mantelzorgers ook. Het Vlaams Patiëntenplatform volgt het project op. Cocreatie ligt moeilijk voor het Vlaams Patiëntenplatform (VPP), want dan moet je compromissen sluiten; ze hebben liever een adviserende functie. De patiëntenverenigingen willen graag vertrekken vanuit de levensdoelen van de personen met een zorgnood. Ze willen dat mantelzorgers proactief ondersteund worden, en dus niet wachten tot ze crashen.

Projecten geïntegreerde zorg (chronic care-projecten)

Hoe verhouden de projecten geïntegreerde zorg zich ten aanzien van de eerstelijnszones?

De deelstaten en ook de Vlaamse overheid zijn betrokken bij de projecten geïntegreerde zorg. De Vlaamse overheid voert een hervorming uit in het kader van persoonsvolgende financiering. Convergentie is nodig tussen deze projecten en de eerstelijnszones.

Chronische zorgprojecten: verschillende snelheden, na vier jaar moet het project de hele populatie bereiken. Inhoudelijke afstemming tussen projecten chronische zorg en eerstelijnszone is nodig, want er zijn wel wat overlappingen in opdrachten.

De oorspronkelijke bedoeling van geïntegreerde zorgprojecten was een hervorming van financiering van de zorg. Hieruit kunnen misschien good practices komen die uitrolbaar zijn. Er is overleg met de federale overheid en de begeleidende cel van de FOD en het is de bedoeling dat de projecten rekening houden met de hervormingen in Vlaanderen.

In de gids, die de geïntegreerde zorg projecten begeleidt, staat omschreven hoe met de hervorming op Vlaams niveau moet omgegaan worden. Zo moeten de pilootprojecten bv. hun projectregio afstemmen op de toekomstige eerstelijnszones en dient de Vlaamse beleidsvisie duidelijk geïntegreerd te worden in de acties van het project De hele opzet van de geïntegreerde zorg-projecten vormt een evolutief gegeven.

In het kader van de opstelling van de projectaanvragen van deze pilootprojecten zijn de lokale besturen, zorg- en welzijnsactoren van de projectregio's op zoek gegaan naar een gemeenschappelijke visie en missie omtrent geïntegreerde zorg. Door het bepalen van deze visie en missie is er alvast een belangrijke oefening  gebeurd om ook de visie van de eerstelijnszone te bepalen.

Zorg en welzijn

In heel de hervorming is het taalgebruik vooral op zorg gericht, niet op welzijn. De doelgroep omvat niet enkel chronisch zieke personen. Er zijn ook problemen rond armoede en sociale uitsluiting.

Het betreft verschillende culturen van aanpak waardoor er bruggen nodig zijn en ook eenzelfde taalgebruik. Er wordt gewerkt aan een lexicon met uniform taalgebruik voor zorg en voor welzijn.

Vanuit het project chronische zorg van Zorgzaam Leuven wordt gemeld dat een samenwerking tussen welzijn en gezondheid gestart is na 1 jaar voorbereidingstijd. Er zijn veel toenaderingsmogelijkheden. Bedoeling is om van in het begin participatief en gezamenlijk te starten. De pilootprojecten ELZ pakken dit aan via een veranderforum dat om de 12 weken samenkomt.

De persoon met een zorgnood staat centraal, voert de regie over de eigen zorg(coördinatie). In Antwerpen bv. zijn heel kwetsbare wijken, waar bewoners niet in staat zijn om deze rol op te pikken, en die niet beschikken over een netwerk om dat in hun plaats te doen. Hoe daarmee aan de slag gaan?

Hier is nood aan coördinatie en afstemming met de diensten die deze personen kunnen begeleiden. In zo’n eerstelijnszone willen we mensen samenbrengen die dergelijke noden kunnen aanpakken. Er moet altijd een inschatting gemaakt worden van wat de patiënt zelf kan, welke informatie en begeleiding nodig is. In sommige wijken zal dat proces veel intenser moeten gebeuren dan in andere; er zal dan meer tijd en energie geïnvesteerd worden in deze groepen.

Wat is de meerwaarde van deze hervorming voor een persoon met multimorbiditeit?

Deze persoon zal vlotter informatie bekomen over de verschillende tegemoetkomingen die mogelijk zijn. Via gegevensdeling zal deze persoon zicht hebben op zijn volledig zorgdossier. Zijn zorgdossier zal ook toegankelijk zijn bij andere zorgaanbieders met wie er een therapeutische relatie is of bij opname in een ziekenhuis, zodat deze persoon niet telkens weer moet herhalen wat zijn problemen zijn. De kwaliteit van de ontslag- en opnameprocedure zal geëvalueerd worden. Er zal een uniforme Vlaamse ontslagprocedure uitgewerkt worden.

In het pilootproject Dender van Flanders Synergy is er een vlotte samenwerking tussen het ziekenhuis en de eerstelijnszone. Voor het ziekenhuis is het een meerwaarde dat er één aanspreekpunt is voor de eerste lijn, aangezien dit vroeger met elke discipline of organisatie in de eerste lijn (huisartsen, verpleegkundigen, thuiszorg, enz.) apart moest opgenomen worden.

Hoe kan de samenwerking tussen welzijn en gezondheid gekoppeld worden aan de vermaatschappelijking van de zorg? De burger geeft ook graag zorg, maar vanuit regelgeving over privacy kunnen burgers niet altijd ingeschakeld worden. Bij dementerende personen is soms een continue aanwezigheid nodig en nachtzorg is niet steeds mogelijk.

Er worden linken tussen welzijn en gezondheid gemaakt op verschillende niveaus. Er is hier continu aandacht voor nodig. Gezondheid en welzijnsaspecten worden al aan elkaar gekoppeld door bijvoorbeeld de diensten gezinszorg. Welzijn wordt als een evenwaardige partner beschouwd in de eerstelijnszones en de Zorgraad.

In 2018 wordt een conferentie welzijn georganiseerd waarbij er ook een link zal gelegd worden met de beleidsvisietekst van de hervorming in de eerste lijn. Deze link werd ook gemaakt op de conferentie Eerste Lijn van februari 2017.

Zorgraad

Hoe wordt de Zorgraad samengesteld?

De Zorgraad is pluralistisch en divers samengesteld en bestaat uit

  • zorgaanbieders van verschillende disciplines
  • vertegenwoordigers van de woonzorgcentra, gezinszorg, diensten maatschappelijk werk en CAW
  • lokale besturen
  • en een vertegenwoordiging van de zorggebruikers en mantelzorgers.

Wie actief is in de regio zal een draagvlak moeten zoeken dat werkbaar is. We zullen een aantal essentiële leden benoemen. Betrokkenheid en efficiëntie zijn belangrijk. De Zorgraad wordt bij voorkeur samengesteld door geëngageerde personen die zich willen inzetten voor de uitbouw van een eerstelijnszone en is omwille van efficiëntieredenen best niet te groot.

Rol van de mutualiteiten in de Zorgraad?

De mutualiteiten zijn vertegenwoordigd via de diensten maatschappelijk werk.

Wordt de Zorgraad een aparte vzw?

Dat is nog niet beslist.

Welk verantwoordelijkheden en taken hebben de leden van de zorgraad?

De zorgraad stuurt de eerstelijnszone aan. In eerste instantie zal de Zorgraad focussen op de prioritaire acties.

Welke financiering staat daar tegenover?

Dat moet nog bepaald worden door de overheid.

Patiënten hebben een plaats in de zorgraad, maar dat willen ze eigenlijk niet?

We moeten dat ook breder bekijken: werken aan zorggeletterdheid, opleidingsaanbod voorzien. We zullen overleggen met het Vlaams Patiëntenplatform over hun plaats in dit proces. Participatie kan verschillende vormen aannemen; rekening houden met behoeftepeilingen is ook een vorm van participatie.

Regionale zorgzone

Wat is de opdracht van de regionale zorgzone?

Een aantal zaken moeten we op een hoger niveau organiseren, zoals het overleg met de gespecialiseerde zorg, en de expertise waarvan de incidentie te laag is om op te nemen in de eerstelijnszone. We starten in eerste instantie met het samenbrengen van de huidige opdrachten rond preventie, palliatie, dementie en overleg rond geestelijke gezondheidszorg telkens binnen eenzelfde geografisch afgebakende regionale zone. Daartoe zullen de bestaande LOGO’s (preventienetwerken), palliatieve netwerken en samenwerkingsverbanden, multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, regionale expertisecentra dementie en de overlegplatforms geestelijke gezondheidszorg samenwerkingsafspraken maken zodat er in elke zorgregio een afgestemd aanbod beschikbaar is. 

De regionale zorgzone zal bijvoorbeeld ondersteuning geven bij levenseindezorg in de woonzorgcentra door in gezamenlijk overleg na te gaan hoe deze expertise kan opgebouwd worden.

Zal de regionale zone de eerstelijnszone praktisch ondersteunen?

Als bij de vorming van de toekomstige eerstelijnszones frequent vragen naar ondersteuning geformuleerd worden, kan dat eventueel opgenomen worden in de transitiefase. Het is wel de bedoeling dat eerstelijnszones op termijn zelfstandig opereren.

Een opdracht van de regionale zorgzones is, onder andere, het behandelen van problemen, knelpunten of drempels die door de eerstelijnszone worden gesignaleerd en waarvoor geen oplossing op dat niveau kan gevonden worden.

Wat is de rol van de regionale zorgzone in de zorgstrategische planning?

Er is momenteel een toolbox in opmaak die de sector in staat moet stellen om regionale zorgstrategische plannen op te maken. De visie is namelijk dat we moeten evolueren van een zorgstrategisch plan als vereiste voor subsidiëring van investeringen naar een zorgstrategisch plan als basis voor erkenningen, planningsvergunningen, enz. De plannen zelf worden niet louter vanuit het perspectief van de voorziening geconcipieerd, maar wel vanuit de behoeftes van de regio. Op het niveau van de regionale zorgzone zullen deze behoeftes in kaart gebracht worden, in samenspraak met de voorzieningen. Deze behoeften kunnen regionaal verschillend zijn. Gegevens en data vormen de basis van de zorgstrategische planning.

Hoe zal afgestemd worden tussen de eerstelijnszone, de regionale zorgzone en de ziekenhuisnetwerken?

De afstemming van de zorgnoden op de eerste lijn met de noden aan basisspecialistische zorg gebeurt op het regionale zorgniveau: welk zorgaanbod is aanwezig? Is dat voldoende, vandaag, in de nabije toekomst, op middellange termijn? Welke hiaten zijn er? Waar liggen de opportuniteiten? De klinische netwerken zullen zich buigen over de vraag hoe zij de basisspecialistische zorg kunnen ondersteunen in samenwerking met de eerstelijnszones. Dit gebeurt door de ontwikkeling van een regionaal zorgstrategisch plan waarin de noden aan basiszorg op de eerste en tweede lijn worden gedocumenteerd en neergelegd. Bij de opmaak van dit zorgstrategisch plan is de inbreng en deelname van zowel het klinisch netwerk van ziekenhuizen als de eerstelijnsactoren onontbeerlijk. De regionale zorgzone zal als articulatieniveau tussen de eerste lijn en het gespecialiseerde zorgaanbod fungeren.

Is er een één-op-éénrelatie tussen de regionale zorgzone en de klinische netwerken?

De minister heeft geopteerd voor een bottom-upbenadering, te beginnen bij de vorming van eerstelijnszones. Als voldaan is aan de voorwaarden, en het plaatje voor de hele regio klopt (geen witte vlekken), kan de oprichting van de eerstelijnszones, zorgraden en regionale zorgzones gestart worden. Ideaal komen de regionale zorgzones op geografisch vlak – werkgebied -overeen met de ziekenhuisnetwerken. De één-op-éénrelatie zal in een aantal gevallen niet mogelijk zijn, en ook niet verplicht worden. We zullen de samenhang tussen klinische netwerken van ziekenhuizen en de regionale zorgzone zo goed als mogelijk bewaken. Een eerstelijnszone kan maar in één regionale zorgzone vallen.

Door wie wordt de regionale zorgzone aangestuurd?

Dit moet nog uitgeklaard worden. De eerstelijnszones zullen alleszins vertegenwoordigd zijn in de regionale zorgzone.

LOGO’s in eerstelijnszone of regionale zorgzone?

Een aantal personen meent dat de LOGO’s beter ingebed zouden worden in een ELZ. Hierover was grote discussie. Er is beslist dat de LOGO’s op regionaal niveau blijven. De natuurlijke partners hierin zijn gekend. In pilootproject Dender is het veranderforum zo breed mogelijk gemaakt: ook LOGO, ECD, ziekenhuis. Iedereen die betrokken is bij eerste lijn. De organisaties op regionaal niveau zullen met verschillende eerstelijnszones moeten overleggen.

Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn

Timing en opdracht

De taken staan vermeld in de beleidstekst. Dit instituut zal geleidelijk aan vorm krijgen.

Het opzet is te groeperen wat we nu doen, in samenwerking met universiteiten en hogescholen. Een aantal ad hoc-financieringen kunnen gebundeld worden.

Hoe kan dit instituut de eerstelijnszone ondersteunen?

Het instituut kan de werking van de eerstelijnszones op diverse vlakken ondersteunen:

  • Bundeling van expertise, evidence, ervaringsdeskundigheid noodzakelijk voor de onderbouwing van geïntegreerde zorgmodellen
  • Volledig, actueel en klantgericht overzicht van het zorgaanbod in Vlaanderen
  • Ondersteunen van een vormingsbeleid en uitwerking van vormingspakketten.
  • Ondersteuning verlenen aan de eerstelijnszones op vlak van de organisatie, financiering, planning, zorgstrategische planning, bestuur,…
  • Ondersteuning bieden bij het formuleren van gezondheids- en welzijnsdoelstellingen en indicatoren voor de eerste lijn.
  • Afspraken zo veel mogelijk uitklaren op Vlaams niveau
  • Het is niet de bedoeling om alle overeenkomsten, bv. met ziekenhuizen over ontslagmanagement, apart te onderhandelen. Beter is globale afspraken te maken op Vlaams niveau, met lokale accenten. Een standaardovereenkomst zal opgemaakt worden op Vlaams niveau.

Digitalisering

Er is weinig te horen over digitalisering in de eerste lijn. Wat is de visie? Is er een plan?

De gegevensdeling via Vitalink kent dit jaar een sterke groei. Er zijn gegevens beschikbaar van in totaal 6,35 miljoen personen over verschillende gegevenstypes (samenvatting medisch dossier 1,5 mil, medicatieschema 0,4 mil, vaccinatiegegevens 3,4 mil, bevolkingsonderzoeken 3,6 mil, kinddossier 0,2 mil). Het platform wordt actief gebruikt door meer dan 5000 artsen en 2900 apotheken alsook door Wit-Gele Kruis en de ziekenhuizen. Maandelijks zijn er 2 mil updates en meer dan 4 mil consultaties van gegevens.

We focussen voor Vitalink op ontsluiting naar de burger en mobiele toegang tot gegevens. Binnen het actieplan eGezondheid werken we in 2018 en de komende jaren verder samen met de federale en regionale actoren aan het delen van zwangerschapsgegevens, het digitale zorg- en ondersteuningsplan, VIDIS – link tussen Recip-e en medicatieschema, de invoering van BELRAI, de gegevensdeling met de WZC, de gegevensuitwisseling binnen de Benelux.

De Vlaamse overheid heeft als doel om tegen 2020 een gedeeld digitaal zorg- en ondersteuningsplan aan te bieden zodat multidisciplinaire samenwerking en gegevensdeling wordt ondersteund.

Er werd inmiddels een visienota geschreven over het digitaal zorg- en ondersteuningsplan. Dit zorg- en ondersteuningsplan is in de eerste plaats een communicatie- en planningsinstrument dat alle relevante gegevens, die beschikbaar zijn over de persoon met een zorgnood, verzamelt en beschikbaar stelt voor alle betrokken zorg- en hulpverleners en voor de persoon met een zorgnood zelf.

De actoren (van de eerste lijn) zullen geconsulteerd worden om hun input te geven over deze visienota zodat dit kan uitgewerkt worden in de ontwikkeling van een tool.

Specifieke vragen voor Brussel

In de regio Brussel-Halle-Vilvoorde wordt men geconfronteerd met een aantal faciliteitengemeenten. Hoe kan men deze lokale besturen overtuigen om mee te werken aan de vorming van de eerstelijnszones?

De faciliteitengemeenten moeten de kans krijgen om hun goede wil te tonen, er is politieke bereidheid nodig om samen te werken. Het is belangrijk om deze gemeenten op te nemen in de eerstelijnszones. Het is echter niet de bedoeling om de kost voor de vertaling van documenten naar het Frans te laten betalen door de eerstelijnszones. Het agentschap heeft een aantal leidende principespdf bestandSamenwerking faciliteitengemeenten (82 kB) geformuleerd.

Voor Brussel is de vooropgestelde norm van 75-125.000 inwoners moeilijk werkbaar want dan bekomt men kunstmatig afgelijnde regio’s.

Voor Brussel werd een aparte werkgroep opgericht. Er is een voorstel om te werken met woonzorgzones (wijken/buurten) en gemeenten.

De lokale besturen zijn verplichte partners van de zorgraad. Dit is een moeilijkheid voor Brussel.

Hiervoor dient samengewerkt te worden met het VGC. Bij het uitwerken van eerstelijnszones/woonzorgzones voor Brussel, dient er rekening gehouden te worden met de gemeentegrenzen zodat het ook voor de lokale besturen werkbaar blijft.

Er is nood aan afstemming tussen de verschillende overheden, besturen en lopende initiatieven binnen Brussel.

Het klopt dat er gelijktijdig ook andere initiatieven lopen binnen Brussel en Vlaanderen (bv. pilootprojecten geïntegreerde zorg). De actoren in Brussel zullen in overleg moeten gaan met elkaar en dat geldt ook voor de betrokken overheden. Er is een duidelijke bereidheid om te werken aan geïntegreerde zorg en gezondheid. We moeten uiteraard bewaken dat de persoon met een zorgnood, maar ook de zorgaanbieder zijn weg nog vindt in het zorg- en welzijnslandschap.

Door de samenwerking/wisselwerking met andere overheden, besturen en talen in Brussel zal het oprichten van zorgzones veel meer tijd vragen. Krijgt Brussel extra tijd zodat het aan een stevige en geloofwaardige basis kan bouwen?

We begrijpen de vraag voor meer tijd omwille van de specifieke problematieken. Met de stuurgroep zal besproken worden hoe we hieraan tegemoet kunnen komen. Het is uiteraard de bedoeling om de zorgzones zo snel mogelijk is te vullen zodat deze zones al kunnen werken aan (nieuwe) projecten en initiatieven. We benadrukken het feit dat in december een intentieverklaring tot samenwerking wordt beoogd. Het is zeker niet verplicht dat er op dat ogenblik al zorgzones effectief werkende zijn.

Hoe zullen de ziekhuisnetwerken zich verhouden in Brussel?

Hier kunnen wij geen uitspraak over doen aangezien dit federaal wordt gestuurd. Voor de Vlaamse overheid is er slechts één Brussels ziekenhuis dat een zorgstrategisch plan moet indienen en dat is UZ Brussel.

Specifiek voor Brussel dient er rekening gehouden te worden met de eigenheid van de organisaties. Het Vlaams karakter is voor de vrijwilligers, medewerkers en bezoekers vaak een belangrijk aspect.

Het is niet de bedoeling om de eigenheid van de organisaties te veranderen. Zo zal in een Brusselse zorgzone niet plots elke organisatie tweetalig moeten worden.

Het is eerder een opportuniteit om meer te weten te komen van elkaar. Door samen aan tafel te zitten, leren ze elkaars programma en doelstellingen kennen en zullen er niet plots twee gelijkaardige initiatieven worden georganiseerd op 100 meter van elkaar. Het is belangrijk dat de doelgroepen duidelijk in kaart worden gebracht. Indien er een gemeenschappelijke doelgroep dient aangesproken te worden, kan samenwerking een meerwaarde zijn.

Het aantrekken van Vlaamse of Nederlandskundige collega’s is moeilijk in Brussel. Samenwerking kan dit waarschijnlijk bevorderen.

Binnen het projectplan is ‘zorgcapaciteit’ een apart project. Hierin kan een apart hoofdstuk voor Brussel een meerwaarde zijn.