Sociale kenmerken bij zelfdoding

Op deze pagina:

Sociale kenmerken zoals beroepsstatuut, burgerlijke staat en leefsituatie beïnvloeden het suïciderisico. Wij doen hier de analyse voor de periode 2010-2013. De analyse van een vroegere periodes vindt u in de “Gezondheidsindicatoren 1999 (PDF - op aanvraag beschikbaar)”.

We bekijken hieronder de verhouding tussen het risico om te overlijden door zelfdoding en het risico om te overlijden door een andere doodsoorzaak (odds ratio’s of OR). We doen dat per leeftijdsgroep en geslacht voor beroepsstatuut, burgerlijke staat en leefsituatie. Analyses voor nationaliteit en opleiding leverden geen significante resultaten op. Als we kijken naar de burgerlijke staat, kunnen we aan de hand van de bevolkingscijfers ook de evolutie en verschillen in gemiddelde suïciderisico’s per categorie (gehuwd, ongehuwd enz.) vergelijken.

Beroepsstatuut

Mannen

Het beroepsstatuut van 25-64-jarige mannen houdt verband met het suïciderisico: actieve mannen en werklozen hebben het hoogste risico.

  • Er is geen (significant) verschil tussen werkende en werkloze mannen wat betreft de verhouding suïciderisico en risico op overlijden door een andere oorzaak.
  • Mannen zonder beroep of met een invalidenstatuut lopen een significant lager risico om te sterven door zelfdoding dan van een andere oorzaak dan werkende mannen (OR: 0,54 en 0,28 bij 25-44 jarigen en 0,63 en 0,30 bij 45-64 jarigen).
  • Ook vroeg-gepensioneerden (leeftijdsgroep 45-64 jaar) sterven 3 keer minder door zelfdoding dan door andere oorzaken in vergelijking met actieve mannen van dezelfde leeftijd (OR: 0,29).
Odds ratio’s voor suïcide t.o.v. andere doodsoorzaak in functie van beroepsstatuut, mannen, 25-64 jaar, 2010-2013
Leeftijdsgroep Beroepsstatuut Suïcide Ander overlijden OG OR BG
25-44 jaar Actief 761 1.456   1  
Werkloos 56 92 0,83 1,16 1,64
Invalide 39 265 0,20 0,28 0,40
Zonder beroep 92 328 0,42 0,54 0,69
Andere/onbekend 51 142 0,49 0,69 0,96
45-64 jaar Actief 810 7.801   1  
Werkloos 46 472 0,69 0,94 1,28
Gepensioneerd 157 5.225 0,24 0,29 0,35
Invalide 68 2.182 0,23 0,30 0,39
Zonder beroep 62 950 0,48 0,63 0,82
Andere/onbekend 53 764 0,50 0,67 0,89

Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, 2010-2013

Vrouwen

Het beroepsstatuut van 25-64-jarige vrouwen houdt beperkt verband met het suïciderisico.

  • Er is geen (significant) verschil tussen vrouwen tussen 25 en 44 jaar wat betreft de verhouding suïciderisico en risico op overlijden door een andere oorzaak in functie van het beroepsstatuut, behalve bij vrouwen zonder beroep. Zij sterven 2 keer minder vaak door suïcide dan actieve vrouwen (OR: 0,50).
  • Vroeg-gepensioneerde vrouwen (leeftijdsgroep 45-64 jaar) sterven 3 keer minder door zelfdoding dan door andere oorzaken in vergelijking met actieve vrouwen van dezelfde leeftijd (OR: 0,33).
  • Vrouwen tussen 45 en 64 jaar zonder beroep of met een invalidenstatuut lopen ook een significant lager risico om te sterven door zelfdoding dan door een andere oorzaak in vergelijking met werkende vrouwen (OR: 0,51 en 0,55).
Odds ratio’s voor suïcide t.o.v. andere doodsoorzaak in functie van beroepsstatuut, vrouwen, 25-64 jaar, 2010-2013
Leeftijdsgroep Beroepsstatuut Suïcide Ander overlijden OG OR BG
25-44 jaar Actief 197 786   1  
Werkloos 10 46 0,43 0,87 1,75
Invalide 30 179 0,44 0,67 1,02
Zonder beroep 38 304 0,34 0,50 0,72
Andere/onbekend 18 82 0,51 0,88 1,49
45-64 jaar Actief 263 3.782   1  
Werkloos 17 240 0,61 1,02 1,69
Gepensioneerd 70 3.008 0,26 0,33 0,44
Invalide 51 1.329 0,41 0,55 0,75
Zonder beroep 74 2.083 0,39 0,51 0,67
Andere/onbekend 27 492 0,53 0,79 1,19

Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, 2010-2013

Vergelijking zelfdoders met pogers

  • Slechts 3 à 4% van de zelfdodingen betrof iemand die werkloos was, wat in contrast staat met het aandeel werklozen bij suïcidepogers (17% bij mannen en 12% bij vrouwen).
  • In vergelijking met suïcidepogers, werkten mannen die overleden door suïcide vaker (49% versus 53%) of waren ze vaker economisch inactief (34% versus 38%).
  • Vrouwen die in 2013 suïcide pleegden waren even vaak economisch niet actief als vrouwen die enkel een suïcidepoging hadden ondernomen (50% versus 52%).

De verschillen zijn deels te verklaren door het leeftijdsverschil tussen pogers en doders. Suïcidepogers waren gemiddeld 10 jaar jonger (40,8 jaar) dan zelfdoders (51,3 jaar) in 2013.

Procentuele verdeling naar beroepsstatuut, pogingen versus overlijdens, Vlaams Gewest, 2013

pogingen vs zelfdodingen vlg beroepsstatuut (2013)
Voetnoot: economisch inactief: combinatie van studenten, huismannen en -vrouwen en gepensioneerden.
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens & registratie suïcidepogingen Vlaamse spoeddiensten (IPEO), Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, 2013
Download: xls bestandCijfers suïcide naar beroepsstatuut: pogingen vs sterfte (2010-2013) (127 kB)

Burgerlijke staat

Uit alle analyses blijkt burgerlijke staat een belangrijke invloed te hebben op het suïciderisico. Dit effect verschilt naar leeftijd en geslacht, maar is vrij stabiel over de tijd.

Suïciderisico naar leeftijd en burgerlijke staat

In de periode 2010-2013 liepen niet-gehuwden een hoger risico om te overlijden door suïcide dan gehuwden. Dit effect doet zich voor bij mannen en vrouwen en in alle leeftijdsgroepen, behalve bij oudere vrouwen.

  • Jonge gescheiden mannen (25-44 jaar) stierven ruim 3 keer vaker door suïcide dan gehuwde 25-44-jarige mannen. Ook weduwnaars hebben een hoger suïciderisico.
  • Bij ongehuwde mannen neemt het suïciderisico toe met de leeftijd, bij gescheiden mannen neemt het tot 65-74 jaar juist af met de leeftijd.
  • Bij niet-gehuwde vrouwen is het suïciderisico hoger dan bij gehuwde vrouwen, behalve in de leeftijdsgroep 75 jaar of meer.

Sterftecijfers suïcide per leeftijdsgroep en burgerlijke staat (per 100.000 inw.), mannen en vrouwen, Vlaams Gewest, gemiddelde 2010-2013

Zelfdoding naar burgerlijke staat en leeftijdsgroep (2009-2013)
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2010-2013
Download: xls bestandCijfers suïciderisico per leeftijd en burgerlijke staat (2010-2013) (133 kB)

Evolutie suïciderisico naar burgerlijke staat

Er is weinig constante evolutie vast te stellen in het gestandaardiseerde suïciderisico naar burgerlijke staat.

  • Tussen 2006 en 2010 steeg het risico van gescheiden mannen met gemiddeld 6 per 100.000 per jaar, maar daalde tussen 2010-2013 weer met gemiddeld 9 per 100.000 per jaar.
  • Tussen 2007 en 2013 daalde het risico van ongehuwde vrouwen met gemiddeld bijna 2 per 100.000 per jaar.
  • Er zijn vrij weinig weduwnaren, waardoor hun cijfers zeer sterk schommelen van jaar tot jaar. Dit geldt ook voor weduwen maar in mindere mate.

Evolutie direct gestandaardiseerd sterftecijfer door suïcide (per 100.000 inw.) naar burgerlijke staat, mannen en vrouwen, 25 jaar en ouder, Vlaams Gewest, 2006-2013

Evolutie zelfdoding burgerlijke staat, 2006-2013
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2006-2013
Download: xls bestandcijfers evolutie suïciderisico naar burgerlijke staat (2006-2013) (176 kB)

Kansverhoudingen mannen

Hoe ouder mannen zijn, hoe duidelijker hun burgerlijke staat invloed heeft op het suïciderisico in de periode 2010-2013.

  • Gescheiden mannen hadden op alle leeftijden een hoger risico om te overlijden door suïcide in plaats van door een andere oorzaak dan gehuwde mannen. Het extra risico nam ook toe met de leeftijd: van een 1,3 keer groter bij 25-44 jaar (BI: 1,04-1,68) tot 1,74 keer groter bij 75 jaar en ouder (BI: 1,11-2,71).
  • Weduwnaren die ouder waren dan 64 jaar overleden ook significant vaker door suïcide dan getrouwde mannen van dezelfde leeftijd (65-74 jaar OR: 1,9 ; BI: 1,40-2,61 - 75 jaar + OR: 1,5 ; BI: 1,23-1,86).
  • Ongehuwde mannen van 75 jaar of ouder hadden een verhoogd suïciderisico ten opzichte van gehuwde mannen (OR: 1,5 ; BI: 1,05-1,94).
Odds ratio’s voor suïcide t.o.v. andere doodsoorzaak in functie van burgerlijke staat, mannen, 25 jaar of ouder, 2010-2013
Leeftijdsgroep Burgerlijke staat Suïcide Ander
overlijden
OG OR BG
25-44 jaar Ongehuwd 558 1.265 0,93 1,10 1,30
Gehuwd 279 695   1  
Weduwnaar 2 4 -- 1,25 --
Gescheiden 156 294 1,04 1,32 1,68
Onbekend 4 25 0,14 0,40 1,16
45-64 jaar Ongehuwd 222 3.132 0,99 1,16 1,36
Gehuwd 571 9.328   1  
Weduwnaar 43 643 0,79 1,09 1,51
Gescheiden 357 4.254 1,20 1,37 1,57
Onbekend 3 37 0,41 1,32 4,31
65-74 jaar Ongehuwd 33 2.187 0,85 1,23 1,78
Gehuwd 184 14.980   1  
Weduwnaar 51 2.173 1,40 1,91 2,61
Gescheiden 48 2.777 1,02 1,41 1,94
Onbekend 0 9   --  
75 jaar + Ongehuwd 34 4.880 1,05 1,52 2,19
Gehuwd 188 40.950   1  
Weduwnaar 167 24.094 1,23 1,51 1,86
Gescheiden 22 2.760 1,11 1,74 2,71
Onbekend 0 26   --  

Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, 2010-2013

Kansverhoudingen vrouwen

Zoals bij mannen heeft burgerlijke staat een zekere invloed bij vrouwen. Het log-lineaire model is wel niet significant bij 65-74-jarige vrouwen.

  • Ongehuwde vrouwen van 25-44 jaar hebben een significant hoger suïciderisico (OR: 1,5 ; BI: 1,13-1,99) dan gehuwde vrouwen. Bij 45-74-jarige ongetrouwde vrouwen is dit risico nog verhoogd, maar niet significant. Bij vrouwen van 75 jaar of ouder hebben ongehuwde vrouwen net een significant lager risico (OR: 0,4 ; BI: 0,19-0,91).
  • Bij 25-64 jarige weduwen is het risico niet verschillend van gehuwde vrouwen. Weduwen van 75 jaar en ouder hebben daarentegen een risico dat half zo klein is dan dat van gehuwde vrouwen van 75+ (OR: 0,5 ; BI: 0,37-0,75).
  • Gescheiden vrouwen tussen 25 en 64 jaar hebben een significant verhoogd suïciderisico. Bij gescheiden vrouwen van 25 tot 44 jaar waren er 1,9 meer suïcideoverlijdens dan bij gehuwde vrouwen van die leeftijd (BI: 1,30-2,64). Bij 45-64-jarige gescheiden vrouwen waren er 1,8 meer suïcideoverlijdens dan bij gehuwde vrouwen van dezelfde leeftijd (BI: 1,46-2,19).
Odds ratio’s voor suïcide t.o.v. andere doodsoorzaak in functie van burgerlijke staat, vrouwen, 25 jaar of ouder, 2010-2013
Leeftijdsgroep Burgerlijke staat Suïcide Ander
overlijden
OG OR BG
25-44 jaar Ongehuwd 127 534 1,13 1,50 1,99
Gehuwd 102 642   1  
Weduwe 3 14 0,38 1,35 4,78
Gescheiden 60 204 1,30 1,85 2,64
Onbekend 1 3   2,10  
45-64 jaar1 Ongehuwd 51 1.180 0,82 1,12 1,52
Gehuwd 243 6.256   1  
Weduwe 41 1.061 0,72 1,01 1,41
Gescheiden 167 2.405 1,46 1,79 2,19
Onbekend 0 32 0,02 0,40 6,77
65-74 jaar1,2 Ongehuwd 9 736 0,60 1,18 2,33
Gehuwd 77 7.086   1  
Weduwe 63 3.787 1,10 1,53 2,14
Gescheiden 22 1.524 0,84 1,35 2,16
Onbekend 0 18   --  
75 jaar + Ongehuwd 7 6.318 0,19 0,41 0,91
Gehuwd 45 16.662   1  
Weduwe 92 64.739 0,37 0,53 0,75
Gescheiden 5 2.793 0,26 0,66 1,67
Onbekend 0 48   --  

Voetnoot 1: Model berekend met Firth-correctie: zonder deze correctie kon geen geldig model gemaakt worden omwille van een bijna volledige spreiding van de data.
Voetnoot 2: Model niet significant (p=0,15): De OR’s zijn dus niet met 95% zekerheid verschillend van 1 ondanks het betrouwbaarheidsinterval.
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, 2010-2013

Vergelijking zelfdoders met pogers

  • In vergelijking met suïcidepogers, zijn mannen die overlijden door suïcide vaker gehuwd (29% versus 38%) of weduwnaar (3% versus 8%).
  • Vrouwen die in 2013 een niet-geslaagde suïcidepoging ondernamen waren iets minder vaak gehuwd (37% versus 41%) of weduwe (6% versus 15%) in vergelijking met suïcideplegers.

De verschillen zijn deels te verklaren door het leeftijdsverschil tussen pogers en doders. Suïcidepogers waren gemiddeld 10 jaar jonger (40,8 jaar) dan zelfdoders (51,3 jaar) in 2013.

Procentuele verdeling naar burgerlijke staat en geslacht, pogingen versus overlijdens, Vlaams Gewest, 2013

pogingen versus zelfdodingen volgens burgerlijke staat (2013)
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens & registratie suïcidepogingen Vlaamse spoeddiensten (IPEO), Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, 2013
Download:xls bestandCijfers suicide naar burgerlijke staat: pogingen vs sterfte (2010-2013) (130 kB)

Leefsituatie

Voor de leefsituatie bij vrouwen van 65 jaar of ouder hebben we een Firth-correctie toegepast op het loglineaire model, aangezien het type leefsituatie het voorkomen van suïcide te eenduidig voorspelde.

Mannen

Alleenwonende mannen lopen een hoger risico om te overlijden door suïcide dan door een andere oorzaak in vergelijking met mannen die samenwonen. Dit risico neemt toe met de leeftijd.

  • Mannen tussen 25 en 44 jaar die alleen wonen overlijden 1,2 keer vaker (BI: 1,05-1,43) door suïcide in vergelijking met samenwonende mannen van die leeftijd.
  • Mannen tussen 45 en 64 jaar die alleen wonen overlijden 1,4 keer vaker (BI: 1,23-1,58) door suïcide in vergelijking met samenwonende mannen van die leeftijd.
  • Mannen tussen 65 en 74 jaar die alleen wonen overlijden 1,7 keer vaker (BI: 1,30-2,14) door suïcide dan samenwonende mannen van die leeftijd.
  • Mannen van 75 jaar of ouder die alleen wonen overlijden 1,8 keer vaker (BI: 1,44-2,20) door suïcide dan samenwonende mannen van die leeftijd.
  • Mannen die in een gemeenschap leven verschillen niet zo veel van mannen die samenwonen in een privé-huishouden wat betreft hun suïciderisico.
  • Mannen die in een instelling verblijven hebben een veel kleiner risico dan mannen die in een privé-huishouden wonen om zichzelf te doden. Het risico is ruim 2 tot 11 keer kleiner.
Odds ratio’s voor suïcide t.o.v. andere doodsoorzaak in functie van leefsituatie, mannen, 25 jaar of ouder, 2010-2013
Leeftijdsgroep Leefsituatie Suïcide Ander
overlijden
OG OR BG
25-44 jaar Alleenwonend 369 717 1,05 1,22 1,43
Samenwonend (privé-HH)1 594 1.413   1  
Instelling 16 94 0,24 0,40 0,69
In gemeenschap 5 24 0,19 0,50

1,31

Onbekend 15 35 0,55 1,02 1,88
45-64 jaar Alleenwonend 421 4.733 1,23 1,39 1,58
Samenwonend (privé-HH)1 745 11.658   1  
Instelling 12 776 0,14 0,24 0,43
In gemeenschap 4 71 0,32 0,88 2,42
Onbekend 14 156 0,81 1,40 2,44
65-74 jaar Alleenwonend 91 4.043 1,30 1,67 2,14
Samenwonend (privé-HH)1 217 16.095   1  
Instelling 2 1.736 0,02 0,09 0,34
In gemeenschap 1 83 0,12 0,89 6,45
Onbekend 5 169 0,89 2,19 5,39
75 jaar + Alleenwonend 135 12.948 1,44 1,78 2,20
Samenwonend (privé-HH)1 240 40.954   1  
Instelling 29 17.850 0,19 0,28 0,41
In gemeenschap 4 358 0,71 1,91 5,15
Onbekend 3 600 0,27 0,85 2,67

Voetnoot 1: Samenwonend in een privé-huishouden (privé-HH), dit in tegenstelling tot samenwonen in een instelling (woonzorgcentrum, gevangenis ...) of in een (religieuze) gemeenschap
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, 2010-2013

Vrouwen

Alleenwonende vrouwen jonger dan 74 jaar hebben meer kans te overlijden door suïcide dan door een andere oorzaak, in vergelijking met samenwonende vrouwen van dezelfde leeftijd. Bij vrouwen neemt deze kans, in tegenstelling tot mannen, eerder af met de leeftijd.

  • Vrouwen tussen 25 en 44 jaar die alleen wonen overlijden 1,8 keer vaker (BI: 1,37-2,43) door suïcide in vergelijking met samenwonende vrouwen van die leeftijd.
  • Vrouwen tussen 45 en 64 jaar die alleen wonen overlijden 1,6 keer vaker (BI: 1,30-1,91) door suïcide in vergelijking met samenwonende vrouwen van die leeftijd.
  • Vrouwen tussen 65 en 74 jaar die alleen wonen overlijden 1,5 keer vaker (BI: 1,08-2,03) door suïcide in vergelijking met samenwonende vrouwen van die leeftijd.
  • Vrouwen van 75 jaar en die alleen wonen ouder overlijden niet vaker (BI: 0.63-1,24) door suïcide in vergelijking met samenwonende vrouwen van die leeftijd.
  • Vrouwen van 45 jaar of ouder die in een instelling leven hebben een kleiner risico om te overlijden door suïcide dan door een andere oorzaak in vergelijking met samenwonende vrouwen van dezelfde leeftijd.
Odds ratio’s voor suïcide t.o.v. andere doodsoorzaak in functie van leefsituatie, vrouwen, 25 jaar of ouder, 2010-2013
Leeftijdsgroep Leefsituatie Suïcide Ander
overlijden
OG OR BG
25-44 jaar Alleenwonend 88 269 1,37 1,83 2,43
Samenwonend (privé-HH)1 190 1.060   1  
Instelling 12 49 0,71 1,37 2,62
In gemeenschap 1 8 0,09 0,70 5,61
Onbekend 2 11 0,22 1,01 4,61
45-64 jaar Alleenwonend 163 2.442 1,30 1,57 1,91
Samenwonend (privé-HH)1 332 7.826   1  
Instelling 4 513 0,07 0,18 0,50
In gemeenschap 0 44   --  
Onbekend 3 109 0,21 0,65 2,05
65-74 jaar 2 Alleenwonend 61 3.287 1,08 1,48 2,03
Samenwonend (privé-HH)1 104 8.253   1  
Instelling 6 1.417 0,16 0,36 0,80
In gemeenschap 0 66 0,04 -- 9,86
Onbekend 0 128 0,02 -- 5,03
75 jaar + 2 Alleenwonend 57 21.589 0,63 0,89 1,24
Samenwonend (privé-HH)1 79 26.411   1  
Instelling 12 41.025 0,06 0,10 0,18
In gemeenschap 0 817 0,01 -- 3,29
Onbekend 1 718 0,14 0,69 3,50

Voetnoot 1: Samenwonend in een privé-huishouden (privé-HH), dit in tegenstelling tot samenwonen in een instelling (woonzorgcentrum, gevangenis ...) of in een (religieuze) gemeenschap
Voetnoot 2: model berekend met Firth-correctie: zonder deze correctie kon geen geldig model gemaakt worden omwille van een bijna volledige spreiding van de data.
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, 2010-2013

Terug naar boven

Verklaring: Odds Ratio

De verhouding van twee 'odds'. Een 'odds' is een Engels begrip dat de verhouding weergeeft van de waarschijnlijkheid ('probability') dat iets gebeurt (of zo is) tot de waarschijnlijkheid dat het niet gebeurt (of niet zo is). Een odds is dus het aantal keren dat een gebeurtenis zich voordoet in groep a (p) gedeeld door het aantal keren dat ze zich niet voordoet in die groep a (1-p). De odds ratio wordt dan deze verhouding gedeeld door dezelfde verhouding in groep b [q/(1-q)].

De formule voor odds ratio is dan:

  • OR= [p/(1-p)] / [q/(1-q)]
    of eenvoudiger
  • OR= p*(1-q)/q*(1-p)

Odds ratio's worden in grafische vorm het best uitgetekend op een logaritmische schaal.

Databestand: Sterftecertificaten personen van 1 jaar of ouder

Bij een overlijden vult de arts die het overlijden vaststelt de A, B en C-strook van het overlijdenscertificaat in. Een gemeenteambtenaar vult de D-strook in. De gemeente waar het overlijden is gebeurd, stuurt de B-, C- en D-stroken maandelijks op naar Zorg en Gezondheid, de A-strook blijft in de gemeente. Zorg en Gezondheid ontvangt zo de sterftecertificaten van alle Vlaamse (en Brusselse) gemeenten.