Interview met Frank De Craecker, begeleider van de pilootprojecten eerstelijnszones

  • 17 november 2017

Heel Vlaanderen wordt opgedeeld in eerstelijnszones: gebieden van 75.000 tot 125.000 inwoners waar de eerstelijnsactoren nauw gaan samenwerken. Eind dit jaar moeten de voorstellen binnen zijn. Om de brede uitrol van eerstelijnszones vanaf begin 2018 vlot te laten verlopen, startten er in het voorjaar 2 regio’s als pilootproject: Dender en Zuid-Oost Limburg. Hun ervaring en kennis biedt inspiratie voor de startende eerstelijnszones in de rest van Vlaanderen. Frank De Craecker van Flanders Synergy begeleidde deze piloten in de opstartmaanden. Wat hebben we geleerd?

Dag Frank. De 2 pilootprojecten zijn inmiddels een klein half jaar bezig. Hoe verliepen de opstartmaanden?

Deze opstartmaanden waren heel intensief. Als veranderteam moet je vooral elkaar leren kennen en elkaar leren begrijpen. Je moet een gezamenlijke visie op de eerstelijnszone ontwikkelen. Dat vraagt energie, tijd en dialoog. 

Het proces en de stappen zijn duidelijk, maar het gewenste eindresultaat nog niet. In een opstart is die onbekende soms moeilijk. In de zorg en welzijn is men meer gewend dat structuren en afspraken van bovenaf worden ingevoerd. Dat leidt dan soms tot frustraties als het de feitelijke werking in zijn snelheid belemmert en de samenwerking niet ondersteunt. Toch blijft men soms naar het beleid kijken om de oplossing aan te reiken. Nochtans is er op het werkveld zelf heel wat impact mogelijk. Daar moet zich meer van bewust worden. Deze keer komt het niet van bovenaf. De kansen liggen er, maar je moet ze zien en grijpen. 

Kan je, vanuit jouw begeleidende rol, aangeven wat belangrijke aandachtspunten zijn als je zoveel actoren, vanuit verschillende achtergronden, op een constructieve manier met elkaar wil laten samenwerken?

Er zijn verschillende aandachtspunten.

Ten eerste is er het tempo van ontwikkeling. Dat tempo is verschillend in elke vorming van een eerstelijnszone.

Het tempo wordt bepaald door de mensen die zich engageren. In hoeverre kan men zich openstellen voor een bredere kijk op zorg en welzijn? In hoeverre kan men abstractie maken van zijn eigen functioneren en zijn eigen, huidige rol? Iedereen is ervan overtuigd dat er iets moet veranderen. We willen allemaal meer vraaggestuurd werken rond de burger. Maar hoe we willen samenwerken, dat is nieuw. Niemand heeft daar ervaring mee, maar iedereen heeft wel een eigen kijk op de zaak. Zorg dus dat je elkaar en elkaars standpunten kent en neem daar de tijd voor.

Een tweede aandachtspunt is het draagvlak binnen de zone. Weet iedereen waarom we dit doen? Waarom zou ik daar nu energie in steken? Wat is de meerwaarde? Je merkt in de piloten dat mensen elkaar nauwelijks kennen. Laat staan dat we in zone al weten wie er allemaal kan bijdragen tot het oplossen van zorg- en ondersteuningsnoden. Het vraagt tijd om dat netwerk in kaart te brengen. De eerste vraag die ik stelde aan de piloten was dan ook: hoeveel mensen moeten betrokken zijn? Het antwoord was vaak niet gekend. Professionele zorgverleners, mantelzorgers, vrijwilligers, ... ze hebben allemaal hun rol om samen rond de burger in een zone te werken. Het is pas als die sociale kaart gekend is en beheerd wordt binnen de zone, dat men de juiste mensen kan samenbrengen en draagvlak kan creëren. Digitale toepassingen helpen om kennis te delen, maar elkaar en elkaars expertise leren kennen is noodzakelijk om te kunnen samenwerken en elkaar te versterken.

Ten derde moet er een eenheid van taal worden opgebouwd. Je krijgt immers heel wat verschillende invalshoeken. We denken vaak aan patiënten, maar is elke persoon met een zorg en ondersteuningsnood een patiënt? We denken aan inwoners, maar is elke persoon met een zorg en ondersteuningsnood in de zone een inwoner? Wat met mensen die in de zone komen werken? We denken aan zorgvragers, maar stelt elke persoon met een zorg- en ondersteuningsnood wel zijn/haar vraag? We denken aan burgers die zelfregie opnemen, maar wil en kan elke burger dat wel? Door een gemeenschappelijke taal, zullen we elkaar sneller vinden.

Wat zijn valkuilen waar opstartende eerstelijnszones rekening mee moeten houden?

De grootste valkuil is dat men alles wil regelen voor de medewerkers die dagdagelijks werken aan de zorg en ondersteuningsnoden. Stel eerst de vraag: "Wat is onze opdracht? Wat willen we georganiseerd krijgen?" Zoek pas daarna een antwoord op de vraag: "En hoe willen we dat dan doen?"

Wat zijn de lessen die je voor je zelf al getrokken hebt? Wat zou jij anders doen mocht je opnieuw beginnen?

Je mag niet onderschatten hoe weinig mensen elkaar kennen in de eerstelijnszone. Neem de tijd om mensen te laten loskomen uit actuele wetgevingen en hun eigen organisatiecontext, zodat ze nog sterker burgergericht en vraaggestuurd denken. Creëer een zo breed mogelijk draagvlak en betrek de burger in het proces. Hij weet vaak beter wat werkt en niet, wat hem zou kunnen helpen.

We vangen vanuit het programmamanagement signalen op dat men in toekomstige eerstelijnszones al werk maakt van de samenstelling van de Zorgraden, het onderzoeken van de rechtspersoonlijkheid van de toekomstige nieuwe structuren, …  Hoe kijk jij vanuit jouw ervaring hiernaar?

Onderzoeken? Ja. Implementeren? Dat houdt een risico in. Vanuit de piloten merken we dat je een denklogica moet respecteren. Het is pas als je weet wat je moet organiseren en wat je samenwerkingsmodel is, dat je kan bouwen aan het bestuurlijke niveau met de Zorgraad. Dat moet meer zijn dan een "coördinatiecentrum of afstemmingscel". Eerst moeten op het werkveld de medewerkers, mantelzorgers, vrijwilligers enzovoorts samenwerken rond de juiste zorg- en ondersteuningsnoden. Pas van daaruit kan je de vraag beantwoorden wat er nodig is om daarin te ondersteunen en een kader aan te reiken.

Het risico bestaat dat de werkingskeuzes die je nu al zou maken, de zone vastzetten. Een wendbare organisatie zal nodig zijn om de stijgende complexiteit van zorg en ondersteuningsnoden beheersbaar te houden, dichtbij en rond de burger. Het risico bij een aantal zorgraden die zich vormen, is dat het verlammend werkt op de creativiteit, wendbaarheid en innovatiekracht Die zullen op het werkveld nodig zijn om de onvoorspelbare en steeds complexere zorg- en ondersteuningsnoden van antwoord te kunnen dienen. Vergeet niet, structuur bepaalt gedrag.

Heb je goede raad voor het programmamanagement of het beleid?

Luister naar het werkveld. Neem die inzichten mee om het wetgevende kader zo aan te passen dat medewerkers wendbaarder met elkaar kunnen samenwerken vanuit hun expertise en ervaring. Ondersteun het toekomstige samenwerkingsmodel, dat verschillend kan zijn per zone, met digitale oplossingen die kennis en informatie breed beschikbaar stellen. Laat elke zone in zijn eigenheid, omdat elke zone zijn eigen complexiteit heeft, vanuit de eigenheid van zijn burgergemeenschap. Wees niet te betuttelend, maar ondersteun een kader.