Gonokokkeninfecties in Oost- en West-Vlaanderen (VIB2016-2)

pdf bestandGonokokkeninfecties in Oost- en West-Vlaanderen, een opvolgstudie (VIB2016-2) (668 kB)

Valeska Laisnez1, Caroline Broucke2, Hanna Masson3

Samenvatting

In 2012 verscheen in dit tijdschrift een studie over de kenmerken van gonokokkeninfecties in Oost-en West-Vlaanderen in 2010. In dit artikel worden de resultaten van een opvolgstudie 2012 tot 2014 besproken. Kenmerken zoals geslachtsverdeling, leeftijd, seksueel gedrag, andere seksueel overdraagbare infecties, besmettingsbron en klinisch beeld vertonen weinig variatie. Wat betreft de diagnostiek werd in de periode 2012 tot 2014 minder gebruik gemaakt van cultuur en meer van PCR. In 2010 werden de behandelrichtlijnen in 55,5% van de gevallen gevolgd. In 2012 was de compliantie 65,3% en in 2013-2014 was dit 53,0%. Deze daling heeft vermoedelijk te maken met het wijzigen van de behandelrichtlijnen eind 2012.

Inleiding

De incidentie van gonorroe neemt in Vlaanderen nog steeds toe. In 2006 werden in Vlaanderen 454 gevallen gemeld en 1371 in 2014 (1). In 2012 verscheen in dit tijdschrift een artikel over het voorkomen en de behandeling van gonorroe in Oost- en West-Vlaanderen in 2010 (2). Dit artikel bespreekt de opvolggegevens voor de jaren 2012, 2013 en 2014. De gegevens van 2010 toonden aan dat in slechts 55,5% van de gevallen de standaardrichtlijnen voor behandeling gevolgd werden. Met deze opvolgstudie was het de bedoeling de evolutie hierin te onderzoeken. Dit is belangrijk omdat Neisseria gonorrhoeae een uitgebreid resis-tentiepatroon vertoont (3). De studie uit 2013 van het European Gonococcal Antimicrobial Surveillance Programme (Euro-GASP) in 21 landen, toont aan dat de ciprofloxacineresistentie nog steeds toeneemt (48,7% in 2011, 50,1% in 2012 en 52,9% in 2013). Ook de resistentie voor azithromycine nam licht toe, van 4,5% in 2012 naar 5,4% in 2013 (4).

Methode

Gonorroe wordt in Vlaanderen gemeld aan de dienst Infectieziektebestrijding (5). De informatie voor deze studie werd verkregen aan de hand van een vragenlijst die in Oost- en West-Vlaanderen aan de behandelend arts werd gestuurd na elke melding. De vragenlijst werd bezorgd samen met de behandelrichtlijnen en een informatiebrief voor de seksuele partner(s). De vragenlijst is opgedeeld in verschillende rubrieken: demografische gegevens, behandelend arts, klinisch beeld, diagnostiek, behandeling, antibiogram en resistentie, screening van andere seksueel overdraagbare aandoeningen, seksueel gedrag, aard van de bron en het contactonderzoek.

De behandelrichtlijn die voorgesteld wordt door de partners van het Vlaams SOA-Overleg zijn gebaseerd op de richtlijnen van de International Union against Sexually Transmitted Infections (IUSTI). In november 2012 wijzigden de Europese IUSTI-richtlijnen voor de behandeling van gonorroe. Er wordt nu standaard een combinatietherapie voorgesteld, van ceftriaxon of spectinomycine plus azithromycine om resistentie-ontwikkeling te vermijden (6). Hiermee moet rekening gehouden worden bij de interpretatie van de onderzoeksresultaten.

De gegevens uit de vragenlijsten werden verwerkt in Epi-info versie 7.1.5.0, gevolgd door een beschrijvend onderzoek.

Resultaten

Van 2012 tot en met 2014 werden in Oost- en West- Vlaanderen samen 992 waarschijnlijke en bevestigde gevallen van gonorroe gemeld (1). Bij 809 daarvan werd de vragenlijst voor bijkomende informatie ingevuld, wat een response rate geeft van 82%. Dit is vergelijkbaar met de response rate van 78% in het vorig onderzoek.

Onder de 809 gevallen waren 79,0% mannen en 21,0% vrouwen (voor 2010 was dit respectievelijk 81,7% en 18,3%). De meeste casussen deden zich ook nu voor in de leeftijdsgroep 21-30 jaar, namelijk 37,8% (in 2010 33,6%) . In de groep 0-20 jaar bevond zich 10,7% van de meldingen (in 2010 8,6%), in de groep 31-40 jaar 22,3% (in 2010 32,7%). Net zoals in 2010 kwam dus meer dan 70% van de gevallen voor in de leeftijdsgroep jonger dan 40 jaar (Fig. 1). Verder deed 16,5% zich voor in de groep 41-50 jaar; 9,6% in de groep 51-60 en 3,1% in de leeftijdsgroep ouder dan 60 jaar. Van vijf gevallen was de leeftijd niet gekend.

Van 722 gevallen werd het seksueel gedrag ingevuld: 33,7% mannen seks met mannen (msm), 3,3% biseksueel en 63,0% heteroseksueel. De vragenlijst werd door de behandelend arts ingevuld, die niet altijd op de hoogte is van de seksuele voorkeur van zijn patiënt. In 2010 was van de patiënten van wie het seksueel gedrag ingevuld werd 34,1% mannen (msm), 2,9% biseksueel en 63,0% heteroseksueel. De vragenlijst bevat een item over screening naar andere seksueel overdraagbare infecties. In 2010 waren 8,6% van de gevallen Hiv-positief, in de opvolgstudie was dit 6,7%. De cijfers voor chlamydia liggen verder uit elkaar: in 2010 was 4,6% positief voor chlamydia, in de opvolgstudie was dit 20,3%. De co-infecties met syfilis daalden daarentegen, in 2010 was 7,7% positief voor syfilis, in 2012 tot 2014 was dit 3,2%.

Als besmettingsbron werd in 45,3% van de gevallen een seksueel contact buiten een vaste relatie (32,4% in 2010) en in 23,0% van de gevallen de vaste partner (29,2% in 2010) aangeduid. Daarnaast werd in 3,9% van de gevallen (8,7% in 2010) nog prostitutiebezoek vermeld, werken in de prostitutie in 1,6% van de gevallen (2,3% in 2010) en bezoek aan een msm-sauna betrof 2,5% van de meldingen (5,0% in 2010).

De vragenlijst polst ook naar het klinisch beeld. Urethritis was zowel in 2010 (75,5%) als in de huidige studie (74,3%) het meest voorkomende klinisch beeld. Cervicitis kwam in 2010 bij 7,3% van de gevallen voor en in de huidige studie in 8,4% van de infecties. Verder werden nog vermeld pelvic inflammatory disease (2010- ,7%; 2012-2014-,2%) en proctitis (2010 -,5%; 2012-2014-3,2%). Zoals verwacht zijn deze percentages zeer gelijklopend.

Voor de diagnostiek werd bij 54,5% van de gevallen gebruik gemaakt van cultuur, tegenover 69,1% in 2010 (statistisch significant verschil, p<0,001). Gebruik van PCR steeg van 35,0% naar 61,7% (statistisch significant verschil, p<0,001) (Fig.2). Zoals daarbij te verwachten is, werd minder vaak een antibiogram uitgevoerd, namelijk in 36,9% van de gevallen tegenover 50,5% in 2010. Voor 280 meldingen was informatie beschikbaar over de resistentie tegen ciprofloxacine: 45,4% vertoonde resistentie tegenover 48,5% in 2010 (Fig.3).

Figuur 1 Leeftijdsverdeling bij meldingen van gonokokkeninfecties in Oost- en West-Vlaanderen 2010 en 2012-201420

Figuur 1 leeftijdsverdeling bij meldingen van gonokokkeninfecties in Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen 2010 en 2012-2014 (VIB2016-2)

Figuur 2 Diagnostische methodes bij gonokokkeninfecties in Oost- en West-Vlaanderen 2010 en 2012-2014Diagnostische methodes bij gonokokkeninfecties in Oost- en West-Vlaanderen 2010  en 2012-2014

Figuur 3 Antibiogram en ciprofloxacineresistentie bij gonokokkeninfecties in Oost- en West-Vlaanderen 2010 en 2012-2014

Antibiogram en ciprofloxacineresistentie bij gonokokkeninfecties in Oost- en West-Vlaanderen 2010 en 2012-2014

Figuur 4 Compliantie met behandelrichtlijnen voor gonokokkeninfecties Oost- en West-Vlaanderen in 2010 en 2012 en 2013-201421

Compliantie met behandelrichtlijnen voor gonokokkeninfecties Oost- en West-Vlaanderen in 2010 en 2012 en 2013-2014

Uit de ontvangen vragenlijsten van deze opvolgstudie bleek dat de behandelend arts ook nu in de meerder-heid van de gevallen een huisarts was, 79,8% tegenover 79,1% in 2010. Er waren iets meer behandelingen door gynaecologen en gastro-enterologen en iets minder behandelingen door SOA-klinieken en urologen, maar het gaat om minimale verschillen. Opvallend is dat SOA-klinieken minder vaak een vragenlijst teruggestuurd hebben. Voor het beoordelen van de behandeling werd de behandeling in 2012 apart bekeken van die van 2013 en 2014. In 2012 was de richtlijn nog ceftriaxon en/of spectinomycine. Bij de meldingen van 2012 was van 196 gevallen bekend welke therapie voorgeschreven werd. Dit was in 65,3% van de gevallen volgens de richtlijn, wat hoger was dan in 2010 (55,5%) (statistisch significant, p<0,001). Dit is mogelijk een gevolg van sensibilisering via diverse kanalen (dit tijdschrift, informatie bij meldingen, de website Zorg en Gezondheid, acties van Sensoa en ITG). Zoals verwacht daalde de compliantie met de nieuwe richtlijn in de periode 2013-2014. Toen kreeg 53,0% een behandeling volgens de nieuwe richtlijn, namelijk ceftriaxon of spectinomycine samen met azithromycine (Fig. 4). Over de volledige periode (2012 tot en met 2014) kreeg 14,4% toch nog ciprofloxacine, ondanks de hoge resistentie.

Conclusie

De resultaten van de studie voor de periode 2012 tot en met 2014 zijn conform de resultaten van 2010. Wat betreft diagnostiek worden minder culturen en antibiogrammen uitgevoerd, er wordt meer gebruik gemaakt van PCR. De compliantie met de behandelrichtlijnen lag 10% hoger in 2012 dan in 2010 maar daalde tot 53,0 % in de periode daarna. Dit is vermoedelijk te wijten aan de wijziging in de behandelrichtlijnen eind 2012. Bij gonorroe zijn de behandelende artsen meestal huisartsen, daarom is het van groot belang hen op de hoogte te houden van correcte of veranderde therapieën.

Summary

Gonococcal infections in East and West Flanders, a follow-up

In 2012 a study on the characteristics of gonococcal infections in East and West Flanders in 2010 was published in this journal. In this article the results of a follow-up study in 2012 to 2014 are presented. Characteristics such as gender and age, sexual behavior, other sexually transmitted infections, source of infection and clinical symptoms show little variation. Concerning diagnostic methods, in the period 2012 to 2014 less cultures and more PCR tests were performed. In 2010, the treatment guidelines were followed in 55.5% of cases. In 2012, the compliance was 65.3% and in 2013 to 2014 this was 53.0%. This decrease in the compliance could be due to a change in the treatment guidelines in 2012.

Trefwoorden: Neisseria gonorrhoeae, gonorroe

Literatuurreferenties

  1. Meldingsplichtige infectieziekten in Vlaanderen. Agentschap Zorg en Gezondheid. www.zorg-en-gezondheid.be/cijfers-over-meldingsplichtige-infectieziekten... Geraadpleegd 10 mei 2016.
  2. Laisnez V, Broucke C, Masson H, Mak R. Hoe werd gonorroe in de provincies Oost- en West-Vlaanderen in 2010 behandeld? Vlaams Infectieziektebulletin 2012;80 (2):4-8.
  3. Unemo M, Shafer W. Antimicrobial resistance in Neisseria gonorrhoeae in the 21st century: past, evolution, and future. Clin Microbiol Rev. 2014;27 (3):587-613.
  4. European Centre for Disease Prevention and Control. Gonococcal antimicrobial susceptibility surveillance in Europe, 2013. Available from: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/gonococcal-antimicrobial-susceptibility-surveillance-europe-2013. pdf.
  5. Belgisch Staatsblad. Ministerieel besluit van 19 juni 2009 tot bepaling van de lijst van de infecties die gemeld moeten worden en tot delegatie om ambtenaren-artsen en ambtenaren aan te wijzen.
  6. International Union against sexually transmitted infections. 2012 European Guideline on the Diagnosis and Treatment of Gonorrhoea in Adults. Available from: www.iusti.org/regions/europe/euroguidelines.htm.

1. Infectieziektebestrijding West-Vlaanderen, e-mail: valeska.laisnez@zorg-en-gezondheid.be
2. Infectieziektebestrijding Oost-Vlaanderen
3. Infectieziektebestrijding West-Vlaanderen