Evolutie van sterfte door zelfdoding (2017)

Op deze pagina:

Absolute, bruto en gestandaardiseerde sterftecijfer

In 2017 stierven 978 Vlamingen door zelfdoding. Bijna 3 op de 4 (71%) van hen waren mannen: 701 mannen tegenover 277 vrouwen. In 2016 overleden 93 mensen meer door zelfdoding dan in 2017.

• Hierbij moeten we wel voorzichtig zijn met snelle conclusies. Voor een goede interpretatie moeten we rekening houden met de bevolkingsevolutie. Bovendien zijn er elk jaar een aantal sterfgevallen waarbij de intentie niet kon bepaald worden. Deze “sterfgevallen door onbepaalde intentie” nemen de laatste jaren sterk toe, waardoor ook de onzekerheid rond het gerapporteerde suïcidecijfer toeneemt.

Direct gestandaardiseerd sterftecijfer (ASR-E) door zelfdoding (per 100.000 inwoners), Vlaams Gewest, 2000, 2005, 2010, 2015 en 2016
Geslacht 2000 2005 2010 2015 2017
totaal 20,2 18,6 17,2 16,3 14,9
Mannen 30,6 28,7 25,8 23,9 22,2
Vrouwen 11,2 9,8 9,3 9,1 8,3

Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2000-2017
Bekijk:xlsx bestandcijfers evolutie suicide (...-2017) (151 kB)

Gestandaardiseerde sterftecijfers houden rekening met de leeftijdssamenstelling van de bevolking. De vergrijzing van de bevolking kan de brutosterftecijfers immers sterk beïnvloeden. Door de sterftecijfers te standaardiseren voor leeftijd (dat is de sterfte berekenen zoals die zou zijn als de leeftijdsverdeling van de bevolking jaar na jaar dezelfde zou blijven) verkrijgen we een direct gestandaardiseerd cijfer of ASR-E (Age Standardized Rate op Europese Standaardbevolking). Verklaring: Directe standaardisatie. Ook dit cijfer wordt uitgedrukt als (gestandaardiseerd) aantal overlijdens per 1.000, per 10.000 of per 100.000 inwoners.

Zelfdoding is een van de meest voorkomende doodsoorzaken bij jongeren en jongvolwassenen tussen 15 en 49 jaar (voor mannen zelfs tot 54 jaar), maar is een probleem op elke leeftijd.

  • De gemiddelde leeftijd van mannen die suïcide plegen was 50,9 jaar en die van vrouwen 53,7 jaar. De gemiddelde leeftijd bij overlijden voor alle doodsoorzaken samen was in 2017 76,8 jaar bij mannen en 81,9 jaar bij vrouwen.
  • Mannen van 40 tot 59 jaar en oudere mannen (80+), lopen een groot risico op overlijden door zelfdoding.

Terug naar boven

Evolutie gestandaardiseerde sterftecijfers

In de periode 2000-2017 zijn er geen eenduidige trends te bemerken in de gestandaardiseerde suïcidecijfers.

  • Bij mannen daalden, stegen en daalden de suïcidecijfers in deze periode.

    • Tussen 2000 en 2007 daalde het aantal suïcides bij mannen gemiddeld met 9 per 1.000.000 per jaar. Deze daling zwakt af (tot -7 per 1.000.000) als we ook rekening houden met de sterfgevallen met onbepaalde intentie.
    • Tussen 2007 en 2012 steeg het aantal suïcides bij mannen opnieuw, gemiddeld met 6 per 1.000.000 per jaar. Deze stijging was meer uitgesproken (tot 10 per 1.000.000 per jaar) wanneer we de sterfgevallen met onbepaalde intentie meetellen.
    • Tussen 2012 en 2017 was er weer een eerder dalende trend voor suïcide als dusdanig omschreven (-7 per 1.000.000 inwoners) maar de sterfte met onbepaalde intentie kende in de periode 2014-2017 een duidelijke stijging.
  • Voor vrouwen kunnen we recent geen trends vast stellen.
    • Als we enkel de sterfte door suïcide als dusdanig omschreven bekijken, zien we een lichte, moeilijk te interpreteren daling van 1 per 1.000.000 inwoners per jaar tussen 2007 en 2017.
    • we de sterfte met onbepaalde intentie in de periode 2003-2017 mee in rekening brengen, zien we een stijging van 1 per 1.000.000 inwoners per jaar.
    • Tijdens de hele periode zijn de suïcidecijfers voor vrouwen beduidend lager dan die voor mannen.

Direct gestandaardiseerde sterftecijfers door suïcide (en onbepaalde intentie) (per 100.000 inw.), mannen en vrouwen, Vlaams Gewest, 2000-2017

Evolutie gestandaardiseerd sterftecijfer door zelfdoding (en onbepaalde intentie OI) met betrouwbaarheidsintervallen, 2000-2017
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2000-2017
Download: xlsx bestandcijfers evolutie suicide (...-2017) (151 kB)

Terug naar boven

Stijgende onduidelijkheid

Het aantal suïcides is wellicht onderschat. Het is immers niet altijd duidelijk of het om een ongeval, een suïcide of een doding gaat. Bijvoorbeeld, als iemand sterft na een val, is het soms niet duidelijk of de overledene per ongeluk viel, zelf sprong, of door iemand geduwd werd. Die onduidelijke sterfgevallen worden samengeteld onder de noemer "sterfte waarvan de intentie niet kan bepaald worden". In de bovenstaande grafiek worden de sterftecijfers door onbepaalde intentie opgeteld bij die van suïcides (niet ingekleurde symbolen).

  • Van 1997 tot 2005 schommelde het aandeel van de sterfgevallen met onbepaalde intentie in deze som rond 5 procent, telkens onder of net op de bovengrens van het betrouwbaarheidsinterval van de gestandaardiseerde sterfte door suïcide alleen.
  • Van 2006 tot 2011 maakte het aantal sterfgevallen door onbepaalde intentie 10% tot 13% uit van de sterfte door suïcide en onbepaalde intentie samen, zoals in de periode vóór 1997.
  • In 2012-2017 steeg dat aandeel sterfgevallen door ‘gebeurtenissen waarvan de intentie niet kon bepaald worden’ nog verder: van 16% in 2012 tot 29% in 2017.

Bekijk de hele evolutie voor onbepaalde intenties samen met zelfdoding in detail:xlsx bestandcijfers evolutie suicide (...-2017) (151 kB)

Terug naar boven

Gezondheidsdoelstelling: 20% minder suïcides in vergelijking met 2000

Sinds 2000, het startjaar van de gezondheidsdoelstelling rond zelfdoding, zien we schommelende, maar toch globaal eerder dalende suïcidecijfers. De doelstelling (20% minder sterfgevallen door suïcide in 2020) is gehaald als we enkel kijken naar duidelijk gerapporteerde suïcide.

  • Voor suïcide als zodanig geregistreerd is de gestandaardiseerde sterfte bij mannen 27% lager dan in 2000. Wanneer we echter ook rekening houden met de sterfgevallen waarvan de intentie niet gekend was, zien we een beperktere daling van 6%.
  • Ook bij vrouwen zijn de suïcidecijfers lager in 2017 dan in 2000. Voor suïcide als zodanig geregistreerd is de gestandaardiseerde sterfte 26% lager dan in 2000. Wanneer we echter ook rekening houden met de sterfgevallen waarvan de intentie niet gekend was, zien we een lichte stijging van 3%.

Lees de uitgebreide evaluatie van de gezondheidsdoelstelling rond zelfdoding:pdf bestandEvaluatie doelstelling zelfdoding (2000-2017) (439 kB)

Terug naar boven

Databestand: Sterftecertificaten personen van 1 jaar of ouder

Bij een overlijden vult de arts die het overlijden vaststelt de A, B en C-strook van het overlijdenscertificaat in. Een gemeenteambtenaar vult de D-strook in. De gemeente waar het overlijden heeft plaats gevonden, stuurt de B-, C- en D-stroken maandelijks op naar Zorg en Gezondheid, de A-strook blijft in de gemeente. Zorg en Gezondheid ontvangt zo de sterftecertificaten van alle Vlaamse (en Brusselse) gemeenten.