Evolutie van sterfte door zelfdoding (2016)

Op deze pagina:

Absoluut en gestandaardiseerd sterftecijfer

In 2016 stierven 1.057 Vlamingen door zelfdoding. Bijna 3 op de 4 (72%) van hen waren mannen: 761 mannen tegenover 296 vrouwen. In 2016 overleden 6 mensen meer door zelfdoding dan in 2015.

Hierbij moeten we wel voorzichtig zijn met snelle conclusies. Voor een goede interpretatie moeten we rekening houden met de bevolkingsevolutie. Bovendien zijn er elk jaar er een aantal sterfgevallen waarbij de intentie niet kon bepaald worden. Deze “sterfgevallen door onbepaalde intentie” nemen de laatste jaren toe, waardoor ook de onzekerheid rond het gerapporteerde suïcidecijfer toeneemt.

Direct gestandaardiseerd sterftecijfer (ASR-E) door zelfdoding (per 100.000 inwoners), Vlaams Gewest, 2000, 2005, 2010, 2015 en 2016
Geslacht 2000 2005 2010 2015 2016
totaal 20,2 18,6 17,2 16,3 16,2
Mannen 30,6 28,7 25,8 23,9 24,1
Vrouwen 11,2 9,8 9,3 9,1 8,9

Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2000-2016
Bekijk: xlsx bestandcijfers evolutie suicide (...-2016) (149 kB)

Gestandaardiseerde sterftecijfers houden rekening met de leeftijdssamenstelling van de bevolking. De vergrijzing van de bevolking kan de brutosterftecijfers immers sterk beïnvloeden. Door de sterftecijfers te standaardiseren voor leeftijd (dat is de sterfte berekenen zoals die zou zijn als de leeftijdsverdeling van de bevolking jaar na jaar dezelfde zou blijven) verkrijgen we een direct gestandaardiseerd cijfer of ASR-E (Age Standardized Rate op Europese Standaardbevolking). Verklaring: Directe standaardisatie. Ook dit cijfer wordt uitgedrukt als (gestandaardiseerd) aantal overlijdens per 1.000, per 10.000 of per 100.000 inwoners.

Zelfdoding is een van de meest voorkomende doodsoorzaken bij jongeren en jongvolwassenen tussen 15 en 49 jaar, maar is een probleem op elke leeftijd.

  • De gemiddelde leeftijd van mannen die suïcide plegen was 51,8 jaar en die van vrouwen 53,6 jaar. De gemiddelde leeftijd bij overlijden voor alle doodsoorzaken samen was in 2016 80,0 jaar bij mannen en 84,5 jaar bij vrouwen.
  • Mannen van 45 tot 59 jaar en oudere mannen (80+), lopen een groot risico op overlijden door zelfdoding.

Terug naar boven

Evolutie gestandaardiseerde sterftecijfers

In de periode 2000-2016 zijn er geen eenduidige trends te bemerken in de gestandaardiseerde suïcidecijfers.

  • Bij mannen daalden, stegen en daalden de suïcidecijfers in deze periode.

    • Tussen 2000 en 2007 daalde het aantal suïcides bij mannen gemiddeld met 1 per 100.000 per jaar. Deze daling zwakt af (tot -8 per 1.000.000) als we ook rekening houden met de sterfgevallen met onbepaalde intentie.
    • Tussen 2007 en 2012 steeg het aantal suïcides bij mannen opnieuw, gemiddeld met 6 per 1.000.000 per jaar. Deze stijging was meer uitgesproken (tot 10 per 1.000.000 per jaar) wanneer we de sterfgevallen met onbepaalde intentie meetellen.
    • Tussen 2012 en 2014 was er weer een daling, maar de cijfers  stegen daarna weer in 2015 en 2016.
    • Globaal liggen de cijfers voor 2014-2016 voor mannen wel lager dan die voor 2000-2001. Dit verschil verdwijnt bijna als we ook rekening houden met sterfgevallen waarvan de intentie niet kon bepaald worden.
    Globaal liggen de cijfers voor 2014-2015 voor mannen wel lager dan die van 2000-2001.
  • Voor vrouwen kunnen we recent geen trends vast stellen, ook niet als we de sterfte door onbepaalde intentie in de periode 2000-2016 mee in rekening brengen.
    • Tijdens de hele periode zijn de suïcidecijfers voor vrouwen beduidend lager dan die voor mannen.

Direct gestandaardiseerde sterftecijfers door suïcide (en onbepaalde intentie) (per 100.000 inw.), mannen en vrouwen, Vlaams Gewest, 2000-2016

Direct gestandaardiseerd sterftecijfer door zelfdoding (en onbepaalde intentie OI) (per 100.000 inwoners) en betrouwbaarheidsintervallen, 2000-2016
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2000-2016
Download: xlsx bestandcijfers evolutie suicide (...-2016) (149 kB)

Terug naar boven

Stijgende onduidelijkheid

Het aantal suïcides is wellicht onderschat. Het is immers niet altijd duidelijk of het om een ongeval, een suïcide of een doding gaat. Bijvoorbeeld, als iemand sterft na een val, is het soms niet duidelijk of de overledene per ongeluk viel, zelf sprong, of door iemand geduwd werd. Die onduidelijke sterfgevallen worden samengeteld onder de noemer "sterfte waarvan de intentie niet kan bepaald worden". In de bovenstaande grafiek worden de sterftecijfers door onbepaalde intentie opgeteld bij die van suïcides (niet ingekleurde symbolen).

  • Van 1997 tot 2005 schommelde het aandeel van de overlijdens met onbepaalde intentie rond 5 procent, telkens onder of net op de bovengrens van het betrouwbaarheidsinterval van de gestandaardiseerde sterfte door suïcide alleen.
  • Van 2006 tot 2011 maakte het aantal overlijdens door onbepaalde intentie 10% tot 13% uit van de sterfte door suïcide en onbepaalde intenties samen, zoals in de periode vóór 1997.
  • In 2012-2016 steeg dat aandeel sterfgevallen door ‘gebeurtenissen waarvan de intentie niet kon bepaald worden’ nog verder: van 16% in 2012 tot 23% in 2016.

Bekijk de hele evolutie voor onbepaalde intenties samen met zelfdoding in detail:xlsx bestandcijfers evolutie suicide (...-2016) (149 kB)

Terug naar boven

Gezondheidsdoelstelling: 20% minder suïcides in vergelijking met 2000

Sinds 2000, het startjaar van de gezondheidsdoelstelling rond zelfdoding, zien we schommelende, maar toch globaal eerder dalende suïcidecijfers. De doelstelling (20% minder sterfgevallen door suïcide in 2020) is gehaald als we enkel kijken naar duidelijk gerapporteerde suïcide.

  • Voor suïcide als zodanig geregistreerd is de gestandaardiseerde sterfte bij mannen 21% lager dan in 2000. Wanneer we echter ook rekening houden met de sterfgevallen waarvan de intentie niet gekend was, zien we een beperktere daling van 6%.
  • Ook bij vrouwen zijn de suïcidecijfers lager in 2016 dan in 2000. Voor suïcide als zodanig geregistreerd is de gestandaardi¬seerde sterfte 21% lager dan in 2000. Wanneer we echter ook rekening houden met de sterfgevallen waarvan de intentie niet gekend was, zien we een lichte stijging van 3%.

Lees de uitgebreide evaluatie van de gezondheidsdoelstelling rond zelfdoding:pdf bestandEvaluatie doelstelling zelfdoding (2000-2016) (534 kB)

Terug naar boven

Databestand: Sterftecertificaten personen van 1 jaar of ouder

Bij een overlijden vult de arts die het overlijden vaststelt de A, B en C-strook van het overlijdenscertificaat in. Een gemeenteambtenaar vult de D-strook in. De gemeente waar het overlijden is gebeurd, stuurt de B-, C- en D-stroken maandelijks op naar Zorg en Gezondheid, de A-strook blijft in de gemeente. Zorg en Gezondheid ontvangt zo de sterftecertificaten van alle Vlaamse (en Brusselse) gemeenten.

Statistiek van de doodsoorzaak

Voor wie zelf aan de slag wil met de sterftecijfers, stellen we hier ook de ruwe gegevens i.v.m. de onderliggende (oorspronkelijke) doodsoorzaken ter beschikking.

Het aantal overlijdens wordt weergegeven per geslacht, per onderliggende doodsoorzaak en per leeftijd. Ook de bevolkingsopbouw van het betreffende jaar staat in hetzelfde rekenbladformaat (Excel). Zo is het eenvoudig zelf de gewenste cijfers te berekenen.

Als u nog oudere cijfers wenst kan u ons altijd contacteren.