Evolutie van sterfte door zelfdoding (2014)

Op deze pagina:
Absolute en bruto cijfers > Evolutie gestandaardiseerde cijfers > stijgende onduidelijkheid > Gezondheidsdoelstelling Zelfdoding 2020

Evolutie absolute en bruto sterftecijfers

In 2014 stierven 1.066 Vlamingen door zelfdoding. Ruim 2 op de 3 van hen waren mannen: 733 mannen tegenover 333 vrouwen. In vergelijking met het jaar ervoor, overleden in 2014 1% meer mensen door zelfdoding.

  • Hierbij moeten we wel voorzichtig zijn met snelle conclusies. Elk jaar zijn er een aantal sterfgevallen waarbij de intentie niet kon bepaald worden. Deze “sterfgevallen door onbepaalde intentie” nemen de laatste jaren toe, waardoor ook de onzekerheid rond het gerapporteerde suïcidecijfer toeneemt.
Direct gestandaardiseerd sterftecijfer (ASR-E) door zelfdoding (per 100.000 inwoners), Vlaams Gewest, 2000, 2004, 2014
geslacht 2000 2004 2014
totaal 20,2 18,2 16,5
Mannen 30,6 27,6 23,6
Vrouwen 11,2 9,9 10,0

Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2000-2014
Bekijk: xlsx bestandcijfers evolutie suicide (...-2014) (134 kB)

  • Gestandaardiseerde sterftecijfers houden rekening met de leeftijdssamenstelling van de bevolking. De vergrijzing van de bevolking kan de brutosterftecijfers immers sterk beïnvloeden. Door de sterftecijfers te standaardiseren voor leeftijd (dat is de sterfte berekenen zoals die zou zijn als de leeftijdsverdeling van de bevolking jaar na jaar dezelfde zou blijven) verkrijgen we een direct gestandaardiseerd cijfer of ASR-E (Age Standardized Rate op Europese Standaardbevolking). Verklaring: Directe standaardisatie. Ook dit cijfer wordt uitgedrukt als (gestandaardiseerd) aantal overlijdens per 1.000, per 10.000 of per 100.000 inwoners.

Zelfdoding is een van de meest voorkomende doodsoorzaken bij jongeren en jonge volwassenen tussen 15 en 54 jaar.

  • De gemiddelde leeftijd van mannen die suïcide plegen is 51 jaar en die van vrouwen 53 jaar. De gemiddelde leeftijd bij overlijden voor alle doodsoorzaken samen was in 2013 76 jaar bij mannen en 81 jaar bij vrouwen.
  • Ook ouderen, en vooral oudere mannen lopen een groot risico op overlijden door zelfdoding.

Evolutie absolute en bruto sterftecijfers

In de periode 1999-2014 zijn er geen eenduidige trend te bemerken in de gestandaardiseerde suïcidecijfers.

  • Bij mannen daalden, stegen en daalden de suïcidecijfers in deze periode.

    • In de periode 1999-2007 was er een significante daling in de gestandaardiseerde suïcidesterftecijfers bij mannen van gemiddeld 9 op 1.000.000 per jaar. Ook met de sterfgevallen met onbepaalde intentie erbij was de trend dezelfde.

    • Tussen 2007 en 2011 steeg het aantal suïcides bij mannen gemiddeld met 8 per 1.000.000 per jaar. Deze stijging is sterker (13 per 1.000.000 per jaar) wanneer we de sterfgevallen met onbepaalde intentie meetellen en bleef dan ook duren tot 2012.

    • Tussen 2011 en 2014 daalden de suïcidecijfers weer met 1 per 100.000 per jaar, maar deze daling wordt getemperd als we ook rekening houden met sterfgevallen waarvan de intentie niet kon bepaald worden.

Globaal liggen de cijfers voor 2014 voor mannen wel lager dan die van 1999-2000.

  • Voor vrouwen kunnen we geen trends vast stellen, ook niet als we de sterfte door onbepaalde intentie in de periode 1999-2014 mee in rekening brengen.

    • Tijdens de hele periode zijn de suïcidecijfers voor vrouwen beduidend lager dan die voor mannen.

Direct gestandaardiseerde sterftecijfers door suïcide (en onbepaalde intentie) (per 100.000 inw.), mannen en vrouwen, Vlaams Gewest, 1999-2014

Evolutie direct gestandaardiseerd sterftecijfer zelfdoding (per 100.000 inwoners) met betrouwbaarheidsintervallen (OG en BG), 1999-2014
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 1999-2014
Download: xlsx bestandcijfers evolutie suicide (...-2014) (134 kB)

Stijgende onduidelijkheid

Het aantal suïcides is wellicht onderschat. Het is immers niet altijd duidelijk of het om een ongeval, een suïcide of een doding gaat. Bijvoorbeeld, als iemand sterft na een val, is het soms niet duidelijk of de overledene per ongeluk viel, zelf sprong, of door iemand geduwd werd. Die onduidelijke overlijdens worden samengeteld onder de noemer "sterfte waarvan de intentie niet kan bepaald worden". In de bovenstaande grafiek worden de sterftecijfers door onbepaalde intentie opgeteld bij die van suïcides (niet ingekleurde symbolen).

  • Van 1997 tot 2005 schommelde het aandeel van de overlijdens met onbepaalde intentie rond 5 procent, telkens onder of net op de bovengrens van het betrouwbaarheidsinterval van de gestandaardiseerde sterfte door suïcide alleen.
  • Van 2006 tot 2011 maakte het aantal overlijdens door onbepaalde intentie 9% tot 12% uit van de sterfte door suïcide en onbepaalde intenties samen, zoals voor 1997.
  • Sinds 2012 steeg dat aandeel overlijdens door ‘gebeurtenissen waarvan de intentie niet kan bepaald worden’ nog verder: 15% in 2012 en zelfs 20% in 2013.
  • In 2014 zette de stijging zich niet verder door, maar bleef het aandeel ‘onbepaalde intenties’ nog steeds hoog (nl. 18%).

Bekijk de hele evolutie voor onbepaalde intenties apart en samen met zelfdoding: xlsx bestandcijfers evolutie suicide (...-2014) (134 kB)

Gezondheidsdoelstelling: 20% minder suïcides in vergelijking met 2000

Sinds 2000, het startjaar van de gezondheidsdoelstelling rond zelfdoding, zien we bij mannen dalende en bij vrouwen schommelende suïcidecijfers. De doelstelling (20% minder sterfgevallen door suïcide in 2020) is nog niet gehaald.

  • Bij mannen zijn de suïcidecijfers wel gedaald in 2014 ten opzichte van 2000. Voor de suïcide als zodanig geregistreerd is de gestandaardiseerde sterfte 23% lager dan in 2000. Wanneer we echter ook rekening houden met de sterfgevallen waarvan de intentie niet gekend was, zien we een beperktere daling van 12%.
  • Bij vrouwen zijn de suïcidecijfers wel gestegen in 2014 ten opzicht van 2013. Voor de suïcide als zodanig geregistreerd is de gestandaardiseerde sterfte maar 11% lager dan in 2000. Wanneer we echter ook rekening houden met de sterfgevallen waarvan de intentie niet gekend was, zien we zelfs een stijging van 1%.

Lees de uitgebreide evaluatie van de gezondheidsdoelstelling rond zelfdoding:pdf bestandEvaluatie doelstelling zelfdoding (2000-2014) (810 kB)

 

Databestand: Sterftecertificaten personen van 1 jaar of ouder

Bij een overlijden vult de arts die het overlijden vaststelt de A, B en C-strook van het overlijdenscertificaat in. Een gemeenteambtenaar vult de D-strook in. De gemeente waar het overlijden is gebeurd, stuurt de B-, C- en D-stroken maandelijks op naar Zorg en Gezondheid, de A-strook blijft in de gemeente. Zorg en Gezondheid ontvangt zo de sterftecertificaten van alle Vlaamse (en Brusselse) gemeenten.

Statistiek van de doodsoorzaak

Voor wie zelf aan de slag wil met de sterftecijfers, stellen we hier ook de ruwe gegevens i.v.m. de onderliggende (oorspronkelijke) doodsoorzaken ter beschikking.

Het aantal overlijdens wordt weergegeven per geslacht, per onderliggende doodsoorzaak en per leeftijd. Ook de bevolkingopbouw van het betreffende jaar staat in hetzelfde rekenbladformaat (Excel). Zo is het eenvoudig zelf de gewenste cijfers te berekenen.

Als u nog oudere cijfers wenst kan u ons altijd contacteren.