Databestand: Sterftecertificaten zuigelingen (en geboortecertificaten)

Zuigelingen: kinderen jonger dan 1 jaar

Cijfers over kindersterfte en doodgeboorte zijn gebaseerd op de gegevens van de geboortecertificaten enerzijds en van de sterftecertificaten voor zuigelingen anderzijds.

Bij elk overlijden moet een arts de dood vaststellen, en op een overlijdenscertificaat invullen wat de oorzaak was van het overlijden. Voor volwassenen en kinderen ouder dan 1 jaar is er een ander certificaat dan voor zuigelingen. Op beide certificaten kunnen verschillende aandoeningen of trauma's worden ingevuld. Alle doodsoorzaken worden dan volgens internationale regels omgezet in codes. In de figuren en tabellen op deze site wordt enkel de onderliggende (eigenlijke, oorspronkelijke) doodsoorzaak geanalyseerd, tenzij anders vermeld. Die onderliggende doodsoorzaken worden opgedeeld in 2 grote groepen: natuurlijke doodsoorzaken (ziekten en aandoeningen) en uitwendige doodsoorzaken (ongevallen en homicide). Meer informatie hierover vindt u in de beschrijving Databestand: Sterftecertificaten personen van 1 jaar of ouder. Bij zuigelingen worden echter nog meer medische gegevens genoteerd op het certificaat, vooral over de zwangerschap, de bevalling en kenmerken van moeder en kind. Bij doodgeboorte zijn zwangerschapsduur en geboortegewicht de factoren die bepalen of een levenloos kind officieel moet worden aangegeven of niet.

  • Hieronder beschrijven we de weg die gegevens van een geboorte en een zuigelingenoverlijden afleggen voor ze in de databank van Zorg en Gezondheid terecht komen.
  • Hier vindt u een schematisch overzicht van de datastroom bij een geboorte tot 2017: Overzicht datastroom van geboorte tot gegevensbestand zorg en gezondheid
  • Hiernaast vindt u een schematisch overzicht van de datastroom bij een geboorte vanaf 1.01.2018.
  • Hiernaast vindt u ook een link naar een uitgebreider document over het proces en de regels van het coderen van doodsoorzaken.

Het sterftecertificaat

De meeste overlijdens van zuigelingen en doodgeboortes vinden plaats in ziekenhuizen. Ook bij een overlijden van een zuigeling (kind jonger dan 1 jaar) of een doodgeboorte vult de arts die het overlijden vaststelt een officieel formulier in (model III D).

Zoals het sterftecertificaat voor personen ouder dan een jaar (model III C), bestaan ook het sterftecertificaat voor kinderen jonger dan een jaar (model III D) en het geboortecertificaat (model I) uit 4 stroken: een A, B, C en D-strook. De stroken hebben dezelfde functie als bij model III C, maar de inhoud ervan verschilt. Niet alleen gegevens over het kind, maar ook gegevens over de ouders, over de zwangerschap en de bevalling worden hier opgenomen. De weg die de gegevens afleggen verschilt naargelang het om een geboorte van een levend kind gaat dan wel om een doodgeboorte of het overlijden van een kind van minder dan een jaar oud.

  • Bij de geboorte van een levend kind:
    • In een ziekenhuis dat aangesloten is op het nationaal computerprogramma eBirth: de arts of de vroedvrouw registreren de medische gegevens via eBirth dat automatisch de Burgerlijke stand van de gemeente op de hoogte brengt (kennisgeving). De burgerlijke stand vervolledigt de informatie van de aangifte via hetzelfde programma eBirth wanneer de aangever de geboorte komt aangeven. De gemeentelijke en de ziekenhuisgegevens worden tenslotte via aparte internetkanalen naar Zorg en Gezondheid gestuurd.
    • In een ziekenhuis dat niet aangesloten is op eBirth of bij een geboorte buiten een ziekenhuis: de arts of de vroedvrouw vult de A, B en C-strook in of registreert de gegevens in een eigen computerprogramma. Het gegevensbestand krijgen we rechtstreeks of via het registratienetwerk van het Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE). Bij een aangifte op papier worden de gegevens van de arts of de vroedvrouw overhandigd aan de gemeente. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind geboren is registreert de gegevens van strook D in een eigen computerprogramma of vult de D-strook in. Het gegevensbestand krijgen we elektronisch via de IT-provider van de gemeente. Bij een aangifte op papier stuurt de burgerlijke stand het certificaat naar Zorg en Gezondheid en wordt er geen gegevensbestand bezorgd.
  • Aangifte van een doodgeboorte of overlijden van een kind van minder dan een jaar oud gebeurt altijd op papier (formulier model III D):
    • De arts vult de A, B en C-strook in. Deze stroken worden overhandigd aan de gemeente. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind overleden is registreert de gegevens van strook D in een eigen computerprogramma of vult de D-strook in. Het gegevensbestand krijgen we elektronisch via de IT-provider van de gemeente en de papieren B- en de C-strook worden nagestuurd. Bij een aangifte volledig op papier stuurt de burgerlijke stand het certificaat naar Zorg en Gezondheid. Dit gebeurt dus op dezelfde wijze als het Databestand: Sterftecertificaten personen van 1 jaar of ouder
    • De medische gegevens over overlijden en doodsoorzaak komen op papier en onder gesloten omslag toe bij Zorg en Gezondheid.
    • Papieren certificaten worden door het agentschap ingevoerd.

Wanneer alle gegevens over geboortes en overlijdens van zuigelingen van een bepaald jaar zijn ingevoerd, worden de socio-demografische gegevens gekoppeld aan de medische, en de geboortes aan de eventuele overlijdens. De resulterende databank wordt uitvoerig gecontroleerd en kan dan gebruikt worden voor verdere statistische verwerking.

Definities doodgeboorte en infantiel overlijden

Definities in verband met perinatale sterfte kunnen sterk verschillen. Daarom is in elk rapport over perinatale sterfte het aangeven van de gebruikte definities noodzakelijk. Wij hanteren daarbij het schema ‘tijdvakken van foeto-infantiele sterfte' dat u hiernaast kan raadplegen. Begrippenkader foeto-infantiele sterfte bevat de definities in woorden. 

Het KB van 17.06.99 betreffende het opstellen van een doodsoorzakenstatistiek bepaalt dat als doodgeboren moet worden geregistreerd: "elk levenloos ter wereld gekomen kind met een geboortegewicht van tenminste 500 gram of, indien het gewicht niet gekend is, geboren na een zwangerschap van tenminste 22 weken of met een daarmee overeenstemmende lichaamslengte van tenminste 25 cm". Deze definitie is conform aan de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake nationale statistieken.

Anderzijds herinnert een omzendbrief van de minister van justitie van 10.06.99, n.a.v. de invoering van een artikel 80bis in het burgerlijk wetboek, eraan dat de ade Burgerlijke stand bij aangifte van een levenloos geboren kind slechts een akte van aangifte mag opstellen indien de geboorte tenminste 6 maanden na de conceptie plaatsvond (180 dagen regel). Bij minder dan 6 maanden zwangerschapsduur dient de Burgerlijke stand enkel de statistische gegevens van de doodgeboorte door te sturen naar Zorg en Gezondheid.

De officiële doodsoorzakenstatistiek kan bijgevolg een onderschatting inhouden van het aantal foetale sterfgevallen tussen de 22e en 26-28e zwangerschapsweek.

Om dit op te vangen registreert het Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE) sinds 2007 op anonieme wijze alle doodgeboren kinderen die niet officieel worden aangegeven. Vanaf 1 januari 2017 gebeurt ook dit rechtstreeks door het agentschap zelf. Zo zijn we toch in staat een volledigere statistiek van doodgeboorte in Vlaanderen op te stellen.

De gepubliceerde cijfers hebben betrekking op gebeurtenissen van het bestudeerde kalenderjaar.

  • De noemer die voor de verschillende cijfers gebruikt wordt, is gebaseerd op het aantal levend- en doodgeboren kinderen in 1 kalenderjaar waarvan de moeder in het Vlaams Gewest verblijft (tenzij de bevalling in het buitenland plaatsvond).
  • Voor de teller stelt zich een probleem: een aantal gevallen van kindersterfte van kinderen geboren in dat kalenderjaar doen zich voor in het volgende kalenderjaar en een aantal gevallen van kindersterfte van kinderen geboren in het vorige kalenderjaar doen zich voor in het bestudeerde kalenderjaar. Bij de gebruikelijke manier van berekening van de verschillende cijfers wordt verondersteld dat deze aantallen bijna identiek en dus een goede benadering zijn van de meer correcte cohortenmethode. De gevolgde methode laat in elk geval een tijdwinst toe van een jaar.

Bestandsbeheer: het aanmaken van één globaal bestand

De gegevens van de aangiften van een levend geboren kind en van de aangiften van een doodgeboren kind of van een kind overleden binnen het eerste levensjaar, komen aanvankelijk terecht in twee afzonderlijke bestanden. De socio-demografische gegevens en de medische gegevens over zwangerschap en geboorte die op de geboortecertificaten worden ingevuld, zijn van merkelijk betere kwaliteit dan deze die ingevuld zijn op het sterftecertificaat voor zuigelingen. Dit is een reden om de gegevens van het overlijdenscertificaat te koppelen aan die van het geboortecertificaat van hetzelfde kind. Een tweede reden voor het koppelen van deze twee bestanden is dat het samengevoegd bestand toelaat de foeto-infantiele sterfte juister te berekenen.

De koppeling gebeurt aan de hand van volgende gemeenschappelijke variabelen:

  • de geboortedatum van het kind;
  • de geboortedatum van de moeder (indien de geboortedatum niet precies gekend is, wordt de verstreken leeftijd van de moeder gebruikt);
  • het geslacht van het kind;
  • het rangordenummer van de boreling binnen de bevalling (in geval van meervoudige zwangerschappen).

Ter controle gebruikt men de volgende variabelen:

  • woonplaats;
  • de geboortedatum van de vader;
  • de huwelijksdatum van de ouders.

Deze variabelen volstaan in theorie om voor elk geval van kindersterfte de geboortegegevens terug te vinden. De kinderen die echter in het Waals Gewest of het buitenland geboren zijn, komen niet in ons bestand terecht.
Het geboortebestand wordt zo samengevoegd met het overlijdensbestand van zuigelingen om tot een definitief bestand te komen.

Ondanks het uitvoeren van checks en het verbeteren van vastgestelde onnauwkeurigheden, blijft omzichtigheid geboden m.b.t. de geregistreerde zwangerschapsduur en vooral sociaal-demografische en medische gegevens.

Ook de validiteit van de oorspronkelijke doodsoorzaak blijkt in geval van een foeto-infantiel overlijden niet zo hoog.