Belangrijkste trends in geboorte en bevalling

Jaarlijks publiceert het Studiecentrum Perinatale Epidemiologie (SPE) een jaarrapport met de meest belangrijke trends in geboorte en bevalling.

In de volledige rapporten wordt dieper ingegaan op de evolutie van de verschillende indicatoren in verband met pasgeborenen en kersverse moeders.

Auteurs: R. Devlieger, E. Martens, G. Martens, C. Van Mol, H. Cammu
vzw Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE)

 

Lees hier de 9 opvallendste trends uit het jaarrapport 2016.
1. Trisomie 21 gedaald

In 2016 daalt het aantal “trisomie 21” naar 31 gevallen. De voorbije jaren schommelde het aantal steeds rond de 50. Er wordt verondersteld dat de daling te maken heeft met de invoering van de NIPT. We verwachten een blijvende daling de volgende jaren.

2. Perinatale sterfte nog nooit zo laag

We zien in Vlaanderen in 2016 opnieuw een fikse daling van de perinatale sterfte naar een recordlaagte van 5,5 per duizend. Ondanks de toenemende leeftijd bij moeders, geassisteerde vruchtbaarheid en hoog aantal keizersneden blijft Vlaanderen dus een regio met uitstekende perinatale uitkomsten. Vooral de vroeg-neonatale sterfte is opvallend gedaald van 1,8‰ in 2015 naar 1,0‰ in 2016.

3. Oude moeders

Vlaamse moeders krijgen hun kinderen laat. De leeftijd waarop Vlaamse moeders hun eerste kind krijgen stijgt jaar na jaar.

  • Zowat één vrouw op 6 is 35 of meer op het moment van de bevalling.
  • In 2016 was de gemiddelde leeftijd waarop een moeder haar eerste kind kreeg 28,9 jaar terwijl dat in 1991 nog 26 jaar was.
  • Het aantal 40-plussers is gelijk gebleven bij een eerste kind en blijft stijgen bij multipare vrouwen: 1 vrouw op 36 (2,8 %) is 40 jaar of ouder op het moment van de bevalling. In 1991 was dit 0,8 %.
4. Laag aantal thuisbevallingen

Ondanks de onvolledige registratie blijft het aantal thuisbevallingen in Vlaanderen zeer laag en vertoont een dalende trend (N=424/64 323 = minder dan 0,7 %). Het is belangrijk dat registratie in de toekomst ook de maternale en neonatale uitkomsten op een volledige en systematische manier kan verzamelen in deze groep.

5. Steeds minder tienerzwangerschappen

In Vlaanderen is het aantal tienerzwangerschappen zeer laag en vertoont weer een daling ten opzichte van de vorige jaren.

  • Slechts 1 vrouw op de 81 is jonger dan 20 jaar bij de bevalling.
6. Veel medisch begeleide bevruchting-minder meerlingen na IVF/ICSI

Het aandeel van de kinderen dat verwekt werd door medisch geassisteerde bevruchting was nog nooit zo hoog (7,3%).

  • Eén op de 14 vrouwen wordt op een niet-natuurlijke manier zwanger. In 2007 was dit nog 1 op de 20.
  • Bij medisch begeleide bevruchting is er 8,2 % kans op een meerling. 34 % van de meerlingen zijn het gevolg van medisch begeleide fertiliteitstechnieken.
7. Sectiopercentage stijgt verder

Voor het vierde jaar op rij ligt het percentage keizersneden boven de 20% (20,9%). De lichte daling van vorig jaar werd dus helaas niet bevestigd.

  • Vooral de secundaire keizersneden stijgen.
  • De spreiding in sectiopercentage tussen de Vlaamse ziekenhuizen is ook opvallend groot: 13,8% tot 30,8% en weerspiegelt zeker ook een verschil in praktijk.
  • Veel van die vrouwen zullen bij een volgende zwangerschap onnodig weer een keizersnede krijgen: slechts 30% van de patiënten met een littekenuterus bevalt vaginaal. Wanneer ze de kans krijgen om in arbeid te gaan bevalt 2 op de 3 vaginaal.
8. Minder knippen

Het percentage episiotomie daalt jaar na jaar. Dit weerspiegelt een meer vrouwvriendelijke aanpak door de gynaecoloog bij de bevalling.

  • In 2001 beviel 68,2 % met een knip.
  • In 2016 is dat nog maar 44,5 %.
9. Lage moedersterfte

In 2016 werden 2 maternale sterfgevallen geregistreerd. Ondanks de mogelijke onderrapportering is dit zeer lage cijfer het bewijs van een goede opvolging van de moeders tijdens de zwangerschap en de bevalling. Een meer systematische registratie is vereist om een goed idee te krijgen van de oorzaken en mogelijke preventiemaatregelen.

Meer info

VZW Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE) is een wetenschappelijke vereniging van gynaecologen, pediaters en vroedvrouwen. Het SPE wordt door Zorg en Gezondheid gesubsidieerd om de medische gegevens rond geboorte en bevalling in de Vlaamse materniteiten te registreren. Deze informatie vult het medische luik van de registratie via geboortecertificaten aan.

Wetenschappelijk onderzoek op basis van deze geboorteregistraties

Het SPE geeft aan de aangesloten gynaecologen, pediaters en vroedvrouwen de kans om wat ze in de praktijk ervaren via wetenschappelijke analyse van de geregistreerde obstetrische en neonatologische handelingen te toetsen aan de realiteit in alle Vlaamse ziekenhuizen. Dit resulteert dan vaak in publicaties in internationale wetenschappelijke tijdschriften. Zo verschenen er de afgelopen jaren studies op basis van SPE-data met volgende conclusies:

  • Uit een doctoraatsonderzoek naar risico’s van zwaarlijvigheid voor, tijdens en na een zwangerschap op moeder en kind en hoe de kraam- en medische zorg hierop moet inspelen, bleek dat men zich niet enkel moet richten op de medische oorzaken en gevolgen maar ook op de psychosociale context.
    Bogaerts A. (2014) Obesity and pregnancy, an epidemiological and intervention study from a psychosocial perspective (PhD summary). Facts, Views & Vision in Obstetrics & Gynaecology, 6(2): 81-95
    Open access: http://www.fvvo.be/archive/volume-6/number-2/facts/obesity-and-pregnancy-an-epidemiological-and-intervention-study-from-a-psychosocial-perspective/
  • Vrouwen die hun zwangerschapskilo’s niet kwijt raken hebben bij een volgende zwangerschap een verhoogd risico op perinatale complicaties, zelfs al hebben ze een normaal gewicht of zelfs ondergewicht. ‘Terug op gewicht komen’ tussen zwangerschappen lijkt belangrijk voor het verminderen van ongunstige perinatale uitkomsten in een tweede zwangerschap.
    Bogaerts A., Van den Bergh B. R. H., Ameye L., Witters I., Martens E., Timmerman D., Devlieger R. (2013) Interpregnancy Weight Change and Risk for Adverse Perinatal Outcome. Obstetrics & Gynecology, 122(5): 999-1009 DOI: 10.1097/AOG.0b013e3182a7f63e
  • Oorzaken van stuitligging bij geboorte zijn lage zwangerschapsduur, laag geboortegewicht, oudere moeders, baarmoeder met littekenweefsel, een baby-meisje, een baby met een aangeboren afwijking, en lage pariteit.
    Cammu, H., Dony, N., Martens, G. and Colman, R. (2014) Common determinants of breech presentation at birth in singletons: a population-based study. European Journal of Obstetrics & Gynecology and Reproductive Biology, 177: 106-109 DOI: 10.1016/j.ejogrb.2014.04.008
  • De opleidingsgraad van de moeder heeft invloed op de bevallingswijze en op post-neonatale sterfte, maar niet op neonatale sterfte.
    Cammu, H., Martens, G. and Keirse, M. J. N. C. (2011), Mothers’ Level of Education and Childbirth Interventions: A Population-based Study in Flanders, Northern Belgium. Birth, 38: 191–199. DOI: 10.1111/j.1523-536X.2011.00476.x
    Cammu H., Martens G., Van Maele G., Amy J. (2010) The higher the educational level of the first-time mother, the lower the fetal and post-neonatal but not the neonatal mortality in Belgium (Flanders). European Journal of Obstetrics & Gynecology and Reproductive Biology, 148: 13-16 DOI: 10.1016/j.ejogrb.2009.08.016
  • Kunstmatig ontstane zwangerschappen leiden vaker tot een bevalling via een keizersnede op vraag van de moeder.
    Gillet E., Martens E., Martens G., Cammu H. (2011) Prelabour Caesarean Section following IVF/ICSI in Older-Term Nulliparous Women: Too Precious to Push? Journal of Pregnancy Volume 2011, Article ID 362518, 5 pages. DOI: 10.1155/2011/362518
  • Er is geen verschil in risico op foeto-infantiele sterfte tussen Belgische moeders en immigrantenmoeders wanneer je ook rekening houdt met pariteit, leeftijd en opleidingsgraad van de moeder.
    Gillet E., Saerens B., Martens G., Cammu H. (2014) Fetal and infant health outcomes among immigrant mothers in Flanders, Belgium. International Journal of Gynecology & Obstetrics, Volume 124, Issue 2, February 2014, Pages 128-133. DOI: 10.1016/j.ijgo.2013.07.031