Kwaliteit in woonzorgcentra: meten via indicatoren

Loading...

Op deze pagina:

 

 

Handleiding:

Indicatoren indienen:

Resultaten voor Vlaanderen

     

Hoe kwaliteit meten?Logo VIP_WZC_LRES (JPEG)

Voor de woonzorgcentra zijn kwaliteitsindicatoren ontwikkeld: daarmee kunnen bepaalde aspecten van kwaliteit van zorg gemeten worden. Zo geven ze indicaties over welke resultaten geboekt worden in dat welbepaalde kwaliteitsonderdeel. Het gaat om valide, meetbare en gestandaardiseerde informatie over kwaliteit van zorg.

De woonzorgcentra zullen die indicatoren zelf meten en ze 2 maal per jaar doorgeven of indienen bij het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid. Elk woonzorgcentrum krijgt daarna een individueel rapport waarin het kan zien hoe het zich positioneert ten opzichte van andere woonzorgcentra.

Waarom?

Door kwaliteitsindicatoren te formuleren en op gestandaardiseerde manier te meten, en -verwachtingen te standaardiseren en er indicatoren aan te koppelen, zijn er heel wat mogelijkheden op het vlak van kwaliteitsverbetering en transparantie

  • De prioritare doelstelling is om de woonzorgcentra te helpen bij hun kwaliteitswerking. De woonzorgcentra kunnen de indicatoren gebruiken als een hulpmiddel om zichzelf te evalueren en er hun kwaliteitsbeleid op baseren. Zo vormen de indicatoren voor de voorzieningen een kompas dat de weg wijst naar steeds betere kwaliteit.
  • De woonzorgcentra kunnen de indicatoren gebruiken om er hun bewoners of het bredere publiek over te informeren;    
  • De overheid kan de resultaten van de indicatoren gebruiken bij haar inspecties en erkenningsbeslissingen.  
  • De overheid kan resultaten en evoluties opsporen en rapporteren aan het parlement en de bevolking. 
  • Door de standaardisering kunnen voorzieningen met elkaar vergeleken worden (benchmarking); de indicatoren kunnen ook gebruikt worden bij toetsing door externe instanties.

Terug naar boven

Welke indicatoren meten?

Op dit moment focust het project zich enkel op de zorginhoudelijke indicatoren. Die gaan over de kwaliteit van zorg en veiligheid en de kwaliteit van zorgverleners en zorgorganisaties. 21 objectieve indicatoren (waarvan 16 verplichte en 5 optionele indicatoren) zullen door de woonzorgcentra zelf geregistreerd worden.

De tweede fase van het project wil ook de kwaliteit van leven in de woonzorgvoorzieningen in beeld brengen, waarbij uiteraard de beleving en de tevredenheid van de bewoners en hun familie op de voorgrond komt. De eerste stappen zijn ook daar reeds uitgevoerd.

11 verplichte objectieve indicatoren over de kwaliteit van zorg en veiligheid:

  • decubitus;
  • onbedoelde gewichtsafname;
  • valincidenten;
  • dagelijkse fysieke vrijheidsbeperking;
  • dagelijkse fysieke vrijheidsbeperking beperkt tot onrusthekkens;
  • medicijnincidenten;
  • vaccinatie influenza zorgpersoneel;
  • medicatiegebruik (5 tot 9 soorten);
  • medicatiegebruik (10 of meer soorten);
  • overlijden in woonzorgcentrum;
  • plan zorg voor levenseinde;

5 verplichte indicatoren over de kwaliteit van zorgverleners en zorgorganisatie:

  • ziekteverzuim (kortdurend per personeelslid);
  • ziekteverzuim (globaal per personeelslid);
  • zorgpersoneel dat het woonzorgcentrum verliet;
  • vorming;
  • vrijwilligerscontracten;

Subjectieve indicatoren over de kwaliteit van leven

Op termijn zullen de woonzorgcentra ook subjectieve indicatoren meten: die peilen naar de mening van de bewoners en gaan over de kwaliteit van leven. Het meten van de ‘kwaliteit van leven’ bij bewoners wordt in 2014 verder op punt gesteld en zal gebeuren door middel van interviews en vragenlijsten door onafhankelijke externe enquêteurs.

Terug naar boven

Resultaten

De eerste indicatoren zijn intussen gemeten en verwerkt. Elk woonzorgcentrum heeft een rapport gekregen me zijn eigen resultaten.

De resultaten voor heel Vlaanderen vindt u hier.

Terug naar boven

Timing: de eerste meting en verder 

Op 20 maart 2013 zijn 7 indicatoren gemeten. Vanaf 1 januari 2015 worden alle indicatoren jaarlijks gemeten en opgevraagd.

De eerste meting

In 2013 hebben de woonzorgcentra dus voor het eerst gezamenlijk op uniforme wijze hun kwaliteit in beeld gebracht voor een aantal indicatoren. Een mijlpaal en belangrijke troef van de sector. Er is een grote bereidheid ondervonden om met de indicatoren aan de slag te gaan. 

 

Met de eerste meetronde is een heel hoge respons bereikt, wat de hoge inzet van de sector bewijst.

Tegelijk is enige voorzichtigheid geboden.

  • De eerste metingen zijn hier en daar nog onderhevig aan kinderziektes en moeten bijgestuurd worden.
  • Bovendien blijven deze zelfregistraties ‘indicatoren’ van kwaliteit: ze geven een eerste signaal maar geen volledig en diepgaande analyse van kwaliteit. Een indicator is een kwantificeerbare samenvattende maat, meestal uitgedrukt in de vorm van een percentage (de verhouding van een teller tot een vastgestelde noemer). Een indicator is per definitie beperkt omdat het zich richt op één aspect van kwaliteit. Een indicator doet op zichzelf ook géén uitspraak over de aard van de kwaliteit: het drukt enkel uit wàt er zich heeft voorgedaan, wàt er aan de hand is. Voor een goed begrip van indicatoren is het nodig te vergelijken.
  • Indicatoren worden duidelijker te interpreteren naarmate ze doorheen de tijd meermaals worden gemeten. Zo kan elk woonzorgcentrum de eigen evolutie blijven volgen. Vergelijking met gelijkaardige woonzorgcentra is een tweede mogelijkheid.
  • Om de percentages goed te kunnen interpreteren is het nodig een goed begrip te hebben van de context en de achtergrond van de ouderenzorgsector en van de eigenheid van elk woonzorgcentrum.

Deze eerste meetronde moet dus beschouwd worden als een eerste oefening en stap in kwaliteitsmonitoring over de hele sector heen. Dat er zo’n grote deelname is vanuit de Vlaamse woonzorgcentra is een belangrijke verdienste. Dit onderstreept het belang dat alle betrokkenen hechten aan kwaliteitsvolle zorg- en dienstverlening voor ouderen.

Terug naar boven

 

Werkwijze voor de woonzorgcentra

Wat de indicatoren precies inhouden en hoe een woonzorgcentrum ze moet meten, staat beschreven in Handleiding over de Kwaliteitsindicatoren (Versie 1.5 - Met bijlage: Hulpbladen bij de handleiding (PDF)). Hierin vindt u per indicator:

  • Een beschrijving van de relevantie
  • Definities
  • Doelstelling
  • Concrete werkwijze
  • Formules voor de berekening

De handleiding en bijlage worden regelmatig geüpdatet. Kijk dus regelmatig na of u met de laatste versie werkt.

Meer info over de verschillende types metingen en indicatoren vindt u ook in de presentatie "Implementatie van kwaliteitsindicatoren".

De 16 verplichte, objectieve indicatoren worden gefaseerd ingevoerd (zie ook timing 2013) en zijn gespreid over het kalenderjaar (zie blokken 1 t.e.m 9 in het schema). Om de 6 maanden moeten ze worden doorgegeven aan het agentschap (rode blokken in het schema). Vanaf januari 2015 zijn alle indicatoren geïmplementeerd. Meer over deze timing:

Timing meting indicatoren

Timing

Opmerking: de data zijn indicatief: als de registratiedag of de eerste dag van de registratieperiode valt in het weekend of op een feestdag, dan wordt dit verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.

Een uitzondering hierop zijn de maandmetingen. Daarop moet u telkens vanaf de eerste dag van de maand tot en met de laatste dag van de maand meten. 

Timing en registraties metingen 2013-2014

Kwaliteitsindicator

Meting

Indienen

F. Percentage zorgpersoneelsleden dat het afgelopen kalenderjaarjaar gevaccineerd is tegen influenza en waarbij de vaccinatie betaald is door het woonzorgcentrum

Zie handleiding (PDF) p. 139

december 2013 31 januari 2014

H. Overleden bewoners met als overlijdensplaats het woonzorgcentrum

Zie handleiding (PDF) p. 155

januari t.e.m. december 2013 31 januari 2014

W. Percentage zorgpersoneelsleden met een contract van onbepaalde duur dat het voorbije kalenderjaar het woonzorgcentrum vrijwillig of in onderling akkoord heeft verlaten

Zie handleiding (PDF) p. 178

januari t.e.m. december 2013 31 januari 2014
V1: Totaal aantal ziektemeldingen per VTE zorgpersoneelslid in het voorbije kalenderjaar

V2: Aantal ziektemeldingen kortdurend ziekteverzuim per VTE zorgpersoneelslid in het voorbije kalenderjaar (subgroep V1)

Zie handleiding (PDF) p. 167 - zie ook verduidelijking indicator V en berekening VTE

januari t.e.m. december 2013 31 januari 2014

X1: Aantal uren vorming per VTE zorgpersoneel in het voorbije kalenderjaar

Optioneel:
X2: Aantal uren vorming per VTE niet-zorgpersoneel in het voorbije kalenderjaar

Zie handleiding (PDF) p. 184 - zie ook verduidelijking berekening VTE

januari t.e.m. december 2013 31 januari 2014

Y: Aantal uren gepresteerd vrijwilligerswerk in het voorbije kalenderjaar per woongelegenheid

Zie handleiding (PDF) p. 192

januari t.e.m. december 2013 31 januari 2014

D1: Percentage bewoners dat gedurende drie dagen dagelijks een fysieke vrijheidsbeperkende maatregel krijgt tijdens de dag

D2: Percentage bewoners waarbij gedurende drie dagen de dagelijkse fysieke vrijheidsbeperkende maatregel tijdens de dag alleen het gebruik van bedhekken is (subgroep van D1)

Optioneel:
D3: Percentage bewoners waarbij de dagelijkse fysieke vrijheidsbeperkende maatregel tijdens de dag ondersteund is met een fixatiedocument (subgroep van D1) 

Zie handleiding (PDF) p. 113

 18 - 19 - 20 februari 2014  31 juli 2014

G1: Percentage bewoners met 5 tot en met 9 verschillende soorten geneesmiddelen voorgeschreven door de huisarts

G2: Percentage bewoners met 10 of meer verschillende soorten geneesmiddelen voorgeschreven door de huisarts

Zie handleiding (PDF) p. 145 - zie ook verduidelijking indicator G

 20 maart 2014  31 juli 2014

 I. Percentage bewoners dat beschikt over een up-to-date plan voor de zorg rond het levenseinde, dat in overeenstemming is met de voorkeuren van de bewoner

Zie handleiding (PDF) p. 160

 20 maart 2014  31 juli 2014

A1: Percentage bewoners met een decubituswonde categorie 2 tot en met 4

Optioneel:
A2: Percentage bewoners met een decubituswonde categorie 2 tot en met 4 ontstaan in het woonzorgcentrum (subgroep van A1)

Zie handleiding (PDF) p. 57

 20 april 2014  31 juli 2014

B1: Percentage bewoners dat in de afgelopen maand een onbedoelde gewichtsafname van 3 kg of meer had in de afgelopen maand

Zie handleiding (PDF) p. 74

 Maart – mei 2014  31 juli 2014

C1: Percentage bewoners met 1 of meer valincident(en) in de afgelopen maand

Optioneel:
C2: Percentage bewoners met 2 of meer valincidenten in de afgelopen maand (subgroep van C1)

Zie handleiding (PDF) p. 104

 1 t.e.m. 31 mei 2014  31 juli 2014

 E1: Percentage bewoners dat de afgelopen zeven dagen te maken had met minimaal één medicijnincident

Zie handleiding (PDF) p. 132

 14 t.e.m. 20 juni 2014  31 juli 2014

Terug naar boven

Verduidelijkingen

Berekening van de VTE

Dit zijn de voltijds equivalenten van het zorgpersoneel. De VTE wordt berekend op basis van het gewogen VTE. Enkel de werkelijk gepresteerde uren en gelijkgestelde dagen worden in rekening gebracht. Periodes van ziektes en non-activiteit worden niet meegeteld.

Voorbeeld 1:
Een voltijds zorgkundige die 30u per week als zorgkundige werkt en 8u per week als animator, wordt berekend als 1 VTE en wordt niet opgesplitst.

Voorbeeld 2:
Personeelslid 1 werkt 6 maanden voltijds
= 0,5 jaar x 100%
= 50%VTE op jaarbasis
Personeelslid 2 werkt 9 maanden voltijds
= 0,75 jaar x 100%
= 0,75% VTE op jaarbasis
Personeelslid 3 werkt een jaar voltijds
= 100% VTE
Personeelslid 4 werkt vijf maanden aan 80%VTE en vervolgens zeven maanden aan 50%
= (5/12 x 80%) + (7/12 x 50%)
= 0.33 + 0.29
= 63%VTE op jaarbasis (afronden tot geheel getal)

Indicator G: medicatiegebruik. Hoe en wat tellen?

De bedoeling van deze indicator is om alle betrokkenen te sensibiliseren over een zorgvuldig medicatiegebruik bij ouderen. Om een eerste beeld te krijgen, wordt er een ruwe telling gehanteerd.

Dit wil zeggen dat elk soort medicatie dat wordt voorgeschreven door de huisarts en op de medicatiefiche als “actief” staat, in de telling wordt opgenomen, ongeacht of het de laatste tijd werd toegediend of niet.

In deze definitie is het in eerste instantie belangrijk dat het gaat om geneesmiddelen voorgeschreven door de (huis)arts. Het gaat dus

  • zowel om geneesmiddelen op voorschrift (enkel verkrijgbaar op voorschrift van een arts)
  • als om geneesmiddelen verkrijgbaar zonder voorschrift van een arts, maar die wel zijn voorgeschreven en ondertekend door de arts op de medicatiefiche. Ook al zijn het shampoos, vitaminepreparaten, zalven enz.

Een geneesmiddel dat wordt toegediend “indien nodig” is een standaardterm die gehanteerd wordt bij verpleegkundigen en artsen en telt mee voor 1 geneesmiddel.

Een geneesmiddel dat op de fiche staat als “staand order” en is voorgeschreven door de huisarts telt mee voor 1 geneesmiddel.
Later zullen we nog evalueren of deze indicator verder verfijnd moet worden.

Indicator V: Ziekteverzuim bij het zorgpersoneel. Welke dagen en personeelsleden tellen?

Aangezien in de zorgsector er ook gewerkt moet worden op weekenddagen, zon- en feestdag, moet u elke kalenderdag dat een zorgpersoneel afwezig is wegens ziekteverzuim, tellen als een ziekteverzuimdag.

Alle kalenderdagen worden meegerekend vanaf de begindatum tot en met de einddatum.

Het aantal ziekteverzuimdagen houdt geen rekening met het feit of het zorgpersoneelslid al dan niet ingeroosterd stond om te werken.

Voor de telling moet u weten:

  1. Hoeveel voltijds equivalente zorgpersoneelsleden er in het voorbije kalenderjaar 20XX een contract (bepaald of onbepaalde duur) hadden met het woonzorgcentrum?
  2. Wat het totale aantal ziektemeldingen is in 20XX (kortdurend + langdurend)?
  3. Wat het aantal ziektemeldingen is voor kortdurend ziekteverzuim in 20XX?

Terug naar boven   

Hoe indienen bij het agentschap? 

Woonzorgcentra moeten hun indicatoren om de 6 maanden (dus 2 maal per jaar) indienen via het e-loket van het agentschap. Opgelet: indien u nog geen toegang hebt tot het e-loket moet u een procedure doorlopen om die toegang, via e-health, aan te vragen. Deze procedure kan een aantal weken in beslag nemen.

Voor de timing van indienen: zie timing.

Het agentschap, het kabinet en de koepels hadden met de softwareleveranciers overleg m.b.t. de nodige aanpassing van hun dossiersystemen voor de registratie van de gegevens. De softwareleveranciers hebben zich geëngageerd om mee te werken om de gegevensverzameling te vereenvoudigen. Voorzieningen zijn uiteraard niet verplicht om te werken met een elektronisch zorgdossier en/of software, maar het invoeren van het referentiekader zal voor vele woonzorgcentra ongetwijfeld een aanzet zijn tot het overgaan tot of het verfijnen van een informaticasysteem.

Het agentschap zorgt voor de berekening van de indicatoren.

Rapportering

Er zal een individuele rapportage en een publieke rapportage gebeuren.

Elk woonzorgcentrum zal eind 2013 een individueel rapport ontvangen waarin het kan zien hoe het zich positioneert ten opzichte van andere woonzorgcentra. Hierbij zal expliciet vermeld worden dat de eerste meting een nulmeting is, die een aanzet tot verbetertrajecten kan zijn.

Terug naar boven  

Meer info  

Terug naar boven

  

VTE: voltijds equivalent. Het is een rekeneenheid waarin de personeelssterkte van een voorzienig of organisatie wordt uitgedrukt. 1FTE komt overeen met het aantal arbeidsuren dat een voltijd aangeworven personeelslid zou presteren. 1 FTE is daarom niet hetzelfde als 1 personeelslid: 1 FTE kan bijvoorbeeld ook ingevuld worden door 2 halftijdse personeelsleden.

Contact

Referentiekader kwaliteit woonzorgcentra

Afdeling Residentiële en gespecialiseerde zorg
Team Ouderenzorg
Tel:02 553 36 37
Fax:02 553 36 05