Op deze pagina:
Hodgkin- en non-Hodgkin-lymfomen
Mortaliteit-incidentieratio
Hodgkin-lymfoom
- Een ratio van 29 betekent dat meer dan een kwart van de mannen en bijna 1 op de 5 vrouwen met een Hodgkin-lymfoom aan die kanker sterven.
- Een ratio van 18 betekent bijna 1 op de 5 vrouwen met een Hodgkin-lymfoom aan die kanker sterven
Non-Hodgkin-lymfomen
- Een ratio van 32 en 36 betekent dat ongeveer 1 op de 3 mannen met non-Hodgkin-lymfomen aan die kankers sterven.
- Een ratio van 36 betekent dat bijna 1 op de 3 vrouwen met een non-Hodgkin-lymfomen aan die kanker sterven.
Het cumulatieve risico
Het cumulatieve risico geeft het risico (in %) weer om voor de leeftijd van 75 jaar gediagnosticeerd te worden met de kanker in kwestie.
- Voor Hodgkin-lymfoom is dit 2 op de 1.000 mannen en vrouwen.
- Voor non-Hodgkin-lymfoomis dit ruim 1 op de 100 mannen en bijna 1 op de 100 vrouwen.
Overzicht: Hodgkin- en non-Hodgkin-lymfomen in het Vlaamse gewest
| ICD-10 code |
C81: Hodgkin-lymfoom |
C82-C85: Non-Hodgkin-lymfomen |
|
Mannen |
Vrouwen |
Mannen |
Vrouwen |
| Sterfte 2005 |
absoluut aantal |
24 |
14 |
189 |
183 |
| ASR(E) |
0,6 |
0,3 |
4,8 |
3,3 |
| gemiddelde leeftijd |
64,4 |
67,7 |
70,8 |
75,2 |
| Incidentie 2004 |
absoluut aantal |
84 |
77 |
597 |
505 |
| ASR(E) |
2,7 |
2,5 |
16,8 |
11,7 |
| gemiddelde leeftijd |
43,7 |
40,3 |
62,8 |
66,1 |
| cumulatief risico 0-74 jaar in % |
0,2 |
0,2 |
1,3 |
0,9 |
| Mortaliteit-incidentieratio in % |
28,6 |
18,2 |
31,7 |
36,2 |
| Relatieve 5-jaarsoverleving (Vlaanderen 1997-2001) (in %) |
86,2 |
86,7 |
59,0 |
59,0 |
| Bron: |
Overlijdenscertificaten Vlaams Gewest / Kankerregister |
| ASR(E) |
Direct gestandaardiseerd aantal, op basis van Europese standaardbevolking, 1/100.000 inwoners |
Multipel myeloom en meest voorkomende vormen van leukemie
Mortaliteit-incidentieratio
Multipel myeloom
- Een ratio van 44 betekent dat ruim 4 op de 10 mannen met multipel myeloom aan die kanker sterven.
- Een ratio van 56 betekent dat bijna 6 op de 10 vrouwen met multipel myeloom aan die kanker sterven.
Lymfatische leukemie
- Een ratio van 23 betekent dat bijna 1 op de 4 mannen en vrouwen met lymfatische leukemie aan die leukemie sterven.
- Een ratio van 24 betekent dat bijna 1 op de 4 vrouwen met lymfatische leukemie aan die kanker sterven.
Myeloïde leukemie
- Een ratio van 78 betekent dat 3 op de 4 van de mannen met myeloïde leukemie aan die kanker sterven.
- Een ratio van 64 betekent dat 2 op de 3 van de vrouwen met myeloïde leukemie aan die kanker sterven.
Cumulatieve risico
Het cumulatieve risico geeft het risico (in %) weer om voor de leeftijd van 75 jaar gediagnosticeerd te worden met de kanker in kwestie.
- Voor multipel myeloom is dit 5 op 1.000 mannen en 4 op de 1.000 vrouwen.
- Voor lymfatische leukemie is dit 6 op de 1.000 mannen en 4 op de 1.000 vrouwen.
- Voor myeloïde leukemie is dit 4 op de 1.000 mannen en 3 op de 1.000 vrouwen.
Overzicht: multipel myeloom en meest voorkomende vormen van leukemie in het Vlaamse gewest
| ICD-10 code |
C90: Multipel myeloom |
C91: Lymfatische leukemie |
C92: Myeloïde leukemie |
|
Mannen |
Vrouwen |
Mannen |
Vrouwen |
Mannen |
Vrouwen |
| Sterfte 2005 |
absoluut aantal |
98 |
121 |
63 |
51 |
133 |
103 |
| ASR(E) |
2,5 |
2,1 |
1,7 |
0,9 |
3,6 |
2,1 |
| gemiddelde leeftijd |
70,3 |
77,6 |
68,6 |
77,8 |
68,4 |
71,5 |
| Incidentie 2004 |
absoluut aantal |
223 |
216 |
273 |
213 |
170 |
161 |
| ASR(E) |
5,9 |
4,7 |
7,7 |
5,3 |
4,6 |
3,9 |
| gemiddelde leeftijd |
67,8 |
69,8 |
61,4 |
62,1 |
65,7 |
64,5 |
| cumulatief risico 0-74 jaar in % |
0,5 |
0,4 |
0,6 |
0,4 |
0,4 |
0,3 |
| Mortaliteit-incidentieratio in % |
43,9 |
56,0 |
23,1 |
23,9 |
78,2 |
64,0 |
| Relatieve 5-jaarsoverleving (Vlaanderen 1997-2001) (in %) |
41,8 |
44,8 |
61,8 |
65,9 |
28,2 |
26,0 |
| Bron: |
Overlijdenscertificaten Vlaams Gewest / Kankerregister |
| ASR(E) |
Direct gestandaardiseerd aantal, op basis van Europese standaardbevolking, 1/100.000 inwoners |
Over deze cijfers
De mortaliteit-incidentieratio geeft een beeld van de globale overleving. Het gaat hier voor mortaliteit om de cijfers van 2005 en voor incidentie om cijfers van 2004. Het gaat (meestal) niet om dezelfde personen, eerder om mensen met een gelijkaardige diagnose. Daarbij wordt verondersteld dat zowel de sterfte als de incidentie stabiel blijven.
ASR(E): Europees gestandaardiseerde sterfte en Europees gestandaardiseerde incidentie per 100.000 inwoners. Dit cijfer kan gebruikt worden om de Vlaamse cijfers te vergelijken met die van andere landen en om de evolutie in de tijd te beoordelen. Meer informatie over (directe) standaardisatie en Europese standaardbevolking vindt u in onze verklarende woordenlijst.
Het cumulatief risico geeft het risico weer (in %) om voor de leeftijd van 75 jaar met de diagnose van blaaskanker geconfronteerd te worden.
De
relatieve 5-jaarsoverleving is een schatting van de verwachte overlevingskansen. Het wordt berekend door het geobserveerde aantal overlevenden te delen door het verwachte aantal overlevenden in een groep personen met dezelfde leeftijdsstructuur uit de totale bevolking. Dat cijfer werd berekend door het Kankerregister en gepubliceerd in
"Cancer incidence and survival in Flanders, 2000-2001"(PDF).
Terug naar boven
Incidentie: Het aantal nieuwe gevallen van een bepaalde ziekte, aandoening of gebeurtenis in een bepaalde tijdsperiode in een bepaalde risicopopulatie.
ASR: Age Standardized Rate - Direct gestandaardiseerd cijfer (o.b.v. Vlaamse bevolking 2000).
ASR(E): Direct gestandaardiseerd cijfer o.b.v. Europese standaardpopulatie
ASR(W): Direct gestandaardiseerd cijfer o.b.v. standaard wereldbevolking
ICD-10: International Classification of Diseases, tenth revision