Op deze pagina:
Op elk kaartje zijn de zorgregio’s ingekleurd volgens het gestandaardiseerde sterftecijfer voor die doodsoorzaak. Er is telkens een kaartje voor mannen en een voor vrouwen.
- Linksboven staan doodsoorzaak, periode en geslacht. Onderaan staat ook welke ICD-10 codes opgenomen zijn in de doodsoorzaak.
- Op deze kaarten is Vlaanderen ingedeeld in zorgregio’s. Bij elke kaart staat aangegeven welke indeling is gebruikt. Meer over zorgregio’s?
- De regio’s zijn ingedeeld in 5 kleuren. Onder de kaart vindt u de legende met kleuren en de grenzen van de kleurcategorieën. Rechtsboven elke kaart kunt u dan lezen hoeveel regio’s er in elke kleurgroep zitten. De volgorde van de kleuren voor de gestandaardiseerde sterftecijfers is altijd:
- Geel-groen: de groep met de laagste cijfers
- Lichtgroen: de groep met iets lagere dan de gemiddelde cijfers
- Groen: de groep met cijfers gelegen rond het gemiddelde
- Donkergroen: groep met iets hogere dan de gemiddelde cijfers
- Blauw-groen: de groep met de hoogste cijfers
- De kaart zelf is ingekleurd volgens het 10-jaarsgemiddelde van het sterftecijfer herberekend voor de Europese standaardbevolking (ASR(E)).
Dit Europees gestandaardiseerd sterftecijfer houdt rekening met verschillen in leeftijdsverdeling van de bevolking tussen de regio’s. Dit cijfer kunnen we ook gebruiken om te vergelijken met cijfers uit het buitenland (als ze volgens dezelfde methode en gebruik makend van dezelfde standaardbevolking zijn gestandaardiseerd). Meer over de methode?
- Onder elke kaart vindt u een link naar de onderliggende cijfers. Daar staan volgende cijfers voor het Vlaams Gewest (mannen en vrouwen) en per zorgregio (gegroepeerd per provincie):
- Ondergrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval (wat is een betrouwbaarheidsinterval?)
- ASR(E): Europees gestandaardiseerd sterftecijfer voor de periode 1998-2007
- Bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval (wat is een betrouwbaarheidsinterval?)
- Gemiddeld aantal inwoners in de regio gedurende de periode 1998-2007
- Gemiddeld jaarlijks aantal overlijdens in de regio voor de geselecteerde doodsoorzaak
Terug naar boven
De kaarten zijn ingedeeld in zorgregio's (zoals vastgelegd in het zorgregiodecreet). De kaarten geven bij voorkeur cijfers voor het kleinste zorgregioniveau met 112 inplantingspolen. De cijfers worden echter pas als betrouwbaar beschouwd (m.a.w. minder onderhevig aan toevalsgebonden schommeling) als er in voldoende zorgregio’s minstens 25 overlijdens waren voor de gekozen doodsoorzaak gedurende de hele periode (apart voor mannen en vrouwen).
Wanneer zijn er voldoende overlijdens in voldoende zorgregio’s voor een betrouwbare weergave?
- Als 37 (of meer) van de 112 regio’s minder dan 25 overlijdens tellen dan wordt deze doodsoorzaak niet op het niveau 112 inplantingspolen weergegeven.
- Als 20 (of meer) van de 60 regio’s minder dan 25 overlijdens tellen dan wordt deze doodsoorzaak niet op het niveau kleine stad (60 inplantingspolen) weergegeven.
- Als 4 (of meer) van de 14 regio’s minder dan 25 overlijdens tellen dan wordt deze doodsoorzaak helemaal niet weergegeven in deze atlas.
Waarom kaarten per zorgregio’s?
Het beleid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid wordt zo veel mogelijk georganiseerd volgens de zorgregio’s. Zo kunnen Logo’s, dit zijn geografisch afgebakende netwerken waarbinnen verschillende organisaties samenwerken om het Vlaamse preventieve gezondheidsbeleid uit te voeren op locoregionaal niveau, nu cijfers vinden die overeenkomen met hun werkgebied. De cijfers voor bijvoorbeeld suïcidepreventie of borstkankeropsporing op gemeenteniveau zijn te laag en dus te onbetrouwbaar om uitspraken over te doen, vandaar de cijfers op zorgregioniveau.
Terug naar boven
In bepaalde streken leven relatief meer ouderen waardoor er in die regio’s ook relatief meer overlijdens zijn. Bij het onderling vergelijken van regio’s moet men dus proberen de sterfteverschillen die worden veroorzaakt door een ongelijke verdeling van ouderen over de verschillende bevolkingen op te heffen. Dit kan via ‘directe’ of ‘indirecte’ standaardisatie (meer uitleg?):
Directe standaardisatie
Directe standaardisatie wordt uitgedrukt als "aantal overlijdens per 100.000 personen van een standaardbevolking". Deze methode wordt in deze atlas en bij vergelijkingen tussen Vlaanderen en Europa gebruikt.
De directe standaardisatiemethode laat vergelijkingen in de tijd en tussen de Vlaamse regio’s onderling toe, en eventueel met andere regio’s en het buitenland. Deze methode is uiteraard ook bruikbaar op een hoger regio-niveau en voor kortere periodes. Het nadeel is dat er in elke regio een minimum aantal personen moet overlijden aan doodsoorzaak X, om tot betrouwbare cijfers te komen voor die regio. (zie hoger)
Om de vergelijkbaarheid met cijfers uit andere landen te bevorderen, publiceren we hier dus Europees gestandaardiseerde cijfers. Deze sterftecijfers kunnen rechtstreeks vergeleken worden met de cijfers die via de Wereldgezondheidsorganisatie worden gepubliceerd in de Health for all database. Meer uitleg over Europese standaardbevolking?
Indirecte standaardisatie
Indirecte standaardisatie wordt uitgedrukt in een ‘gestandaardiseerde mortaliteitsratio’ of ‘SMR’ (Standardized Mortality Ratio). Deze methode werd in de vorige atlas gebruikt.
Met een SMR kunt u inschatten of het aantal overlijdens in een bepaalde streek (bv. een gemeente) meer of minder is dan wat u kunt verwachten op basis van de sterfte in een referentiegebied (bv. het Vlaams Gewest).
Het nadeel hierbij is dat u de gemeenten enkel kan vergelijken met het Vlaams Gewest en niet met andere gemeenten, laat staan met andere gewesten of het buitenland. Het is ook niet mogelijk om de evolutie van de SMR te beoordelen. De sterfte in Vlaanderen verandert immers elk jaar, en dus is het verwachte aantal overlijdens ook jaarlijks anders.
Het voordeel van indirecte standaardisatie is dat het wel geschikt is voor berekeningen met kleine aantallen en voor een samenvattend cijfer over de verschillende jaren.
Terug naar boven
Sterftecijfers zijn, zoals alle natuurverschijnselen, onderhevig aan toevallige schommelingen. Het is dus niet vanzelfsprekend om deze cijfers onderling te vergelijken. Statistische methoden lijken daarom aangewezen. Toch zult u in veel sterfteatlassen geen statistische significantieberekeningen vinden. Dat komt omdat er een theoretisch bezwaar is tegen het gebruik van deze testen. Het gaat hier immers niet om een steekproef, maar om de volledige Vlaamse bevolking. Wij willen er hier de nadruk op leggen dat een sterftecijfer een schatting blijft. Dat komt door toevallige jaarlijkse schommelingen, maar ook gekende (maar moeilijk meetbare) factoren spelen een rol: onvolledige informatie, variaties in de interpretatie van de doodsoorzaken door verschillende artsen en verschillende codeurs, kleine veranderingen in de codeerregels voorgeschreven door de Wereldgezondheidsorganisatie. Om te vermijden dat atlasgebruikers verschillen zouden zien waar deze niet betekenisvol zijn, kozen wij ervoor om rond het sterftecijfer toch een zogenaamd betrouwbaarheidsinterval te berekenen. Ook andere auteurs maken deze keuze.
Wat is een 95%-betrouwbaarheidsinterval?
Dat is een interval van waarden of resultaten die allemaal waarschijnlijk zijn. We gebruiken voor die berekening een theoretische kansverdeling die zo goed mogelijk het voorkomen van de normale schommelingen in de sterfte weergeeft. De breedte van een betrouwbaarheidsinterval wordt mee bepaald door de drempel waaronder men een waarde als te onwaarschijnlijk beschouwt. In de medische statistiek wordt heel vaak minder dan 1 kans op de 20 of een probabiliteit kleiner dan 5% (p<0,05) gebruikt. Daarom spreekt men van een 95%-betrouwbaarheidsinterval.
Sterftecijfers vergelijken
Als we 2 sterftecijfers, met elk een eigen 95%-betrouwbaarheidsinterval, met elkaar vergelijken, moet dus de bovengrens van het ene interval lager zijn dan de ondergrens van het andere om statistisch met 95% zekerheid te kunnen besluiten dat die 2 sterftecijfers niet gelijk zijn. In dit geval zegt men dat deze sterftecijfers statistisch significant verschillend zijn. Overlappen de intervallen, dan kan men statistisch niet uitsluiten dat de sterftecijfers toch gelijk zijn.
Voorzichtigheid is geboden wanneer men een sterftecijfer met meer dan 1 ander sterftecijfer wil vergelijken. De 95%-betrouwbaarheidsintervallen die hier weergegeven worden, zijn daar niet op berekend. De kans om onterecht te besluiten dat er minstens 1 significant verschil is in een reeks van paarsgewijze vergelijkingen zal in werkelijkheid veel groter zijn dan 1 op 20 of 0,05. Dit noemt men het probleem van de multipele vergelijkingen. U kunt best een statisticus raadplegen voor u reeksen van sterftecijfers met elkaar gaat vergelijken.
Gebruikte formules:
Standaardfout†: 
waarbij:
| Ni |
= |
aantal personen in de i-de leeftijdsgroep van de standaardpopulatie |
| ri |
= |
het gemeten sterftecijfer per 100.000 inwoners in leeftijdsgroep i |
| ni |
= |
aantal personen in de i-de leeftijdsgroep van de studiepopulatie |
| Bovengrens |
= |
gestandaardiseerde rate + 1,96*standaardfout |
| Ondergrens |
= |
gestandaardiseerde rate - 1,96*standaardfout eventuele negatieve woorden worden op 0 gezet |
† Martin J. Gardner and Douglas G. Altman, Statistics with confidence, Confidence intervals and statistical guidelines, BMJ, 1989, Great Britain
Terug naar boven
SMR: Standardized mortality ratio, indirect gestandaardiseerd sterftecijfer