Sterftecijfers per leeftijd: sterfterisico en bevolkingspiramide

Loading...

Op deze pagina:

De bevolkingspiramide

De bevolkingspiramide geeft de samenstelling van de bevolking weer volgens leeftijd: hoeveel mannen en vrouwen zijn er van een bepaalde leeftijd? De vorm van de piramide wordt bepaald door de geboortecijfers en de sterftecijfers per leeftijd.

Aandeel mannen en vrouwen

In de bevolkingspiramide voor het Vlaams Gewest zien we dat de mannen, die vanaf hun geboorte met meer zijn, dit overwicht definitief verliezen vanaf de leeftijd van 62 jaar. Boven de 62 jaar zijn er in het Vlaamse Gewest meer vrouwen dan mannen. Die omslag komt er omdat de sterfterisico's jaar na jaar lager liggen voor vrouwen dan voor mannen.

  • In 2000 lag de leeftijd waarop de vrouwen in aantal het overwicht kregen op de mannen nog op 58 jaar: de sterfterisico's van mannen daalden de afgelopen jaren sneller dan die van vrouwen waardoor deze "grens" naar boven opschoof (zie gestandaardiseerde sterfte).
  • Deze omslagleeftijd ligt in 2010 wel terug iets lager dan in vorige jaren, omdat de leeftijdsspecifiek sterfte bij vrouwen van 60 tot 69 jaar iets toegenomen is in 2010 ten opzichte van 2009 en 2008.

Vanaf de leeftijd van 85 jaar bij mannen en 88 jaar bij vrouwen sterft jaarlijks 10% of meer van deze bevolkingsgroep.

Aantal inwoners (op 1/1/2010) versus aantal overlijdens naar leeftijd en geslacht (10 inwoners/1 overlijden), Vlaams Gewest, 2010

figuur_bevolkingspiramide
Bron: NIS-bevolkingscijfers en sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2010
Download: onderliggende cijfers (xls, 81 kB)
Let op: 2 schalen!

Terug naar boven

Sterfterisico volgens leeftijd

Het sterfterisico is de kans dat iemand sterft op een bepaalde leeftijd. We drukken die hier uit door voor verschillende leeftijdsgroepen te berekenen hoeveel personen er per 100.000 van die groep overlijden.

Het sterfterisico is vooral hoog in het eerste levensjaar en vanaf 50 jaar. Vanaf 25 jaar voor vrouwen en 40 jaar voor mannen stijgen de sterftekansen exponentieel. Bij jonge mannen (15-29 jaar) merken we een relatieve oversterfte op. De belangrijkste doodsoorzaken in deze leeftijdscategorie zijn vervoersongevallen en suïcide.

Terug naar boven

Zuigelingen: eerste levensjaar

De sterftekans in het eerste levensjaar is zeer hoog: 438 per 100.000 voor jongens en 314 per 100.000 voor meisjes.

De belangrijkste oorzaken van de hoge sterfte bij zuigelingen zijn:

  • aangeboren afwijkingen,
  • aandoeningen van de moeder,
  • complicaties van zwangerschap en bevalling.

Aangezien de sterfte bij zuigelingen zo hoog is en te wijten is aan specifieke problemen, wordt zij apart bestudeerd in het deel "foeto-infantiele sterfte".

Terug naar boven

Peuters, kleuters en kinderen

De sterfte bij peuters en kleuters (1 tot 4 jaar) is veel lager dan in het eerste levensjaar: 25 per 100.000 voor jongens en 12 per 100.000 voor meisjes. Maar de sterftekans is er toch hoger dan bij de daaropvolgende leeftijdsgroepen.

De laagste sterftecijfers zijn te vinden in de groepen 5 tot 9 jaar en 10 tot 14 jaar (4 tot 11 per 100.000).

Terug naar boven

Adolescenten en volwassenen

Vooral bij mannelijke adolescenten (15-19 jaar) en jonge volwassen mannen (20-39 jaar) merken we een relatieve oversterfte op: als u de rechte lijn1 vanaf de leeftijd van 40-44 jaar tot 95 jaar denkbeeldig doortrekt naar de groep 10-14 jaar, ziet u een "bult" in de grafiek. Bij vrouwen beperkt die relatieve oversterfte zich tot meisjes en jonge vrouwen van 15 tot 24 jaar.
Deze relatieve oversterfte is toe te schrijven aan uitwendige oorzaken (vervoersongevallen en suïcide). Tien jaar geleden was deze oversterfte veel meer uitgesproken. Meer details vind je in het downloadbare bestand.

Vanaf 25 jaar voor vrouwen en 40 jaar voor mannen stijgen de sterfterisico's exponentieel. Pas op de leeftijd van 55-59 jaar overstijgt het sterfterisico weer dat van het eerste levensjaar.

De sterfterisico's liggen jaar na jaar steeds lager voor vrouwen dan voor mannen. Die verschillende sterfterisico's hebben ook hun weerslag op de samenstelling van de bevolking, grafisch vaak voorgesteld als een bevolkingspiramide.

Terug naar boven

Leeftijdsspecifiek sterftecijfer (per 100.000 inwoners), mannen en vrouwen, Vlaams Gewest, 2010

Leeftijdsspecifieke sterftecijfers
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2010
Let op: logaritmische schaal
Download:onderliggende cijfers, meer details en cijfers 2000 (XLS, 53 kB)

Terug naar boven

Doodsoorzaken per leeftijdsgroep

Niet alleen het sterfterisico verschilt tussen mannen en vrouwen, ook de doodsoorzaken verschillen.

  • Tot de leeftijd van 39 jaar sterven mannen en vrouwen in grote lijnen door gelijkaardige oorzaken: aangeboren afwijkingen, ongevallen en suïcide.
  • Vanaf de leeftijd van 40 tot en met 74 jaar sterven vrouwen in de eerste plaats aan borstkanker, mannen door suïcide (40 tot 49 jaar) en longkanker (50 tot 79 jaar).
  • Daarna volgen voor mannen de ischemische hartziekten en voor vrouwen cerebrovasculaire aandoeningen.

Vele van deze doodsoorzaken zijn gedeeltelijk vermijdbaar, zoals (vervoers)ongevallen en longkanker.

 

Belangrijkste doodsoorzaken per leeftijdscategorie, mannen en vrouwen, Vlaams Gewest, 2010 (absoluut aantal/relatief belang in leeftijdsgroep)

Leeftijdsgroep Mannen Vrouwen
0 jaar Aangeboren afwijkingen (40 / 25%) Aangeboren afwijkingen (22 / 20%)
1-4 jaar Niet-vervoersongevallen (6 / 17%) Niet-vervoersongevallen (3 / 19%)
5-9 jaar Vervoersongevallen (3 / 16%) Verschillende doodsoorzaken (1 / 14%)
10-14 jaar Vervoersongevallen (4 / 20%) Verschillende doodsoorzaken (1 / 8%)
15-19 jaar Vervoersongevallen (20 / 31%) Vervoersongevallen / Suïcide
(6 / 21%)
20-24 jaar Vervoersongevallen (62 / 44%) Suïcide (12 / 26%)
25-29 jaar Suïcide (56 / 36%) Suïcide (15 / 26%)
30-34 jaar Suïcide (49 / 31%) Suïcide (10 / 12%)
35-39 jaar Suïcide (81 / 35%) Suïcide (24 / 21%)
40-44 jaar Suïcide (82 / 25%) Borstkanker (32 / 15%)
45-49 jaar Suïcide (87 / 16%) Borstkanker (62 / 17%)
50-54 jaar Longkanker (124 / 14%) Borstkanker (83 / 14%)
55-59 jaar Longkanker (208 / 16%) Borstkanker (129 / 17%)
60-64 jaar Longkanker (318 / 17%) Borstkanker (168 / 16%)
65-69 jaar Longkanker (417 / 18%) Borstkanker (131 / 10%)
70-74 jaar Longkanker (510 / 15%) Borstkanker (192 / 9%)
75-79 jaar Longkanker (550 / 12%) Cerebrovasculaire aandoeningen
(330 / 9%)
80-84 jaar Ischemische hartziekten
(591 / 11%)
Cerebrovasculaire aandoeningen
(597 / 11%)
85+ jaar Hartdecompensatie, complicaties en ...
(888 / 12%)
Hartdecompensatie, complicaties en ...
(2.001 / 15%)
Bron: sterftecertificaten alle overlijdens, Vlaams Gewest, 2010
Voetnoot 1: de vervoersongevallen zijn hier beperkt tot vervoersongevallen op land (V01-V89)
Voetnoot 2: Hartdecompensatie, complicaties en [onduidelijk omschreven hartaandoeningen] (I46, I50-I52)

Terug naar boven


1 De sterftekansen stijgen exponentieel met de leeftijd. Daarom zijn de kansen op een logaritmische schaal weergegeven. De rechte lijn is dus in feite een exponentiële functie.
Ischemische hartziekten: Hartziekten veroorzaakt door een verminderde bloedtoevoer naar de hartspier zelf. De verminderde bloedtoevoer is meestal een gevolg van een vernauwing van de slagaders.

Contact

Anne Kongs

Afdeling Informatie en Ondersteuning
Team Gegevensverwerking & Resultaatsopvolging
Tel:
Fax: