Statistische significantie
Bij het bekomen van verschillende resultaten voor verschillende groepen of jaren, gaan we na of we kunnen aannemen dat het geobserveerde verschil wel of niet door het toeval is ontstaan. We spreken dan van een statistisch significant cijfer als dat cijfer in sterke mate (nl. met 95% zekerheid) de veronderstelling ondersteunt dat het verschil met andere cijfers niet door toeval is ontstaan.
De geobserveerde waarden worden dus aan een statistische toets onderworpen, waarbij op voorhand wordt afgesproken wat de toelaatbare foutenmarge is (de alfa-fout).
Een statistische toets is een methode om na te gaan of een bepaalde veronderstelling (de nul-hypothese genaamd) in het licht van de waargenomen cijfers verworpen moet worden. Kan de veronderstelling niet worden verworpen dan wordt ze aanvaard, zij het "bij gebrek aan bewijs". De gemaakte veronderstelling wordt verworpen als de waargenomen cijfers in het licht van die veronderstelling als extreem moeten worden gezien, en dus de waargenomen verschillen met wat verwacht was niet meer op toeval lijken te berusten. De nulhypothese op deze website betreft meestal het verschil tussen groepen (bv. Belgen en niet-Belgen, universitaire opleiding en maximaal opleiding secundair onderwijs) of het verschil tussen verschillende jaren (1998 versus 2003).
De term "alfa-fout" duidt op de kans dat we de nulhypothese onterecht verwerpen. Algemeen wordt een alfa-fout van 5% aanvaardbaar geacht. Op deze website wordt steeds gewerkt met een significantieniveau van 95%, wat in feite duidt op het aanvaarden van een alfa-fout van 5%.
Meer info
Statistische toets op wikipedia.org