Leeftijd van de moeder

Loading...

Op deze pagina: 

Vruchtbaarheid volgens leeftijd

Leeftijdspecifiek vruchtbaarheidscijfer

In bijna alle leeftijdsgroepen bevielen in 2008 meer vrouwen dan in 2003 en in 1998. Deze toename is bovendien meer uitgesproken in de oudere leeftijdsgroep 30-49 jaar dan in de jongere leeftijdsgroep 15-29 jaar wat aangeeft dat vrouwen het krijgen van kinderen altijd vaker uitstellen naar een latere leeftijd.

  • De leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers van 30 tot 49-jarige vrouwen zijn in 2008 sterk gestegen ten opzichte van de vorige jaren. Vooral in de leeftijdsgroep van 30-34 jaar kregen vrouwen beduidend vaker een kind: in 2008 werden er gemiddeld 21 kinderen meer geboren bij 1.000 vrouwen tussen 30 en 34 jaar dan in 2003.
  • Vrouwen in de leeftijdscategorie 25 tot 29 jaar hadden het hoogste vruchtbaarheidscijfer: in 2008 kregen 1.000 vrouwen van die leeftijdsgroep samen gemiddeld 138 kinderen. Dat cijfer is gestegen tegenover 1998 (132 per 1.000 vrouwen) en 2003 (127 per 1.000 vrouwen).
  • Bij tieners (15-19 jaar) en jonge vrouwen tussen de 20 en de 24 jaar is er weinig verschil met 1998.

Vergelijking van het totale aantal levendgeboortes per 1.000 vrouwen (leeftijdsgroepen van 5 jaar), Vlaams Gewest, 2003 en 2008

  2008 2003
Aantal
kinderen
Aantal
vrouwen
bevolking
Aantal geboortes
per vrouw(1/1.000)
Aantal
kinderen
Aantal
vrouwen
bevolking
Aantal geboortes
per vrouw
(1/1.000)
<15 jaar 9     7    
15-19 jaar 1.367 179.159 7,63 1.376 167.650 8,21
20-24 jaar 9.576 177.281 54,02 9.221 182.617 50,49
25-29 jaar 26.369 191.074 138,00 22.735 178.956 127,04
30-34 jaar 22.030 187.088 117,75 20.093 207.707 96,74
35-39 jaar 8.468 214.900 39,40 6.295 232.255 27,10
40-44 jaar 1.396 236.192 5,91 940 234.120 4,02
45-49 jaar 55 235.486 0,23 36 216.286 0,17
> 49 jaar 4     0    
totaal 15-49 jaar 69.261 1.421.180 48,73 60.696 1.419.591 42,76
Bron: geboortecertificaten- NIS bevolking, Vlaams Gewest, 2003 & 2008
Download: deze cijfers en cijfers 1998 & 2007 (XLS, 31 kB)
Bekijk:  deze cijfers in een grafiek:

Totaal vruchtbaarheidscijfer

Het totale vruchtbaarheidscijfer (TVC) voor 2008 is 1,82 kinderen per vrouw.

  • In 2003 was het TVC heel wat lager, nl. 1,56 kinderen per vrouw.
  • In 1998 was het TVC nog lager, nl. 1,51 kinderen per vrouw.

Voor een meer volledige bespreking van de vruchtbaarheidscijfers en de evolutie ervan, verwijzen we naar het jaarrapporten van Kind & Gezin (Het kind in Vlaanderen).

Terug naar boven

Gemiddelde leeftijd en vruchtbaarheidspiek

Het grotere aantal geboortes in 2008 wordt verklaard door de hogere vruchtbaarheidscijfers bij vrouwen vanaf 28 jaar. Bij jongere moeders (jonger dan 28 jaar) lopen de cijfers ongeveer gelijk met de vorige jaren op een lichte toename na, vooral bij 18-jarigen en 21- en 22-jarigen. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kindje kregen bedroeg 27,6 jaar.

Waar de vruchtbaarheidspiek vroeger op 28 jaar lag, ligt hij sinds 2007 op 29 jaar.

  • In 2008 kregen 1.000 29-jarige vrouwen gemiddeld 162 kinderen. In 2007 kregen zij gemiddeld 160 kinderen. In 2006 kregen zij gemiddeld 156 kinderen, in 2003 139 en in 1998 140 kinderen.
  • 28-jarigen kregen bijna evenveel kinderen in 2007 en 2008, nl. respectievelijk 157 kinderen per 1.000 vrouwen, maar in vorige jaren lagen de cijfers duidelijk hoger dan voor de 29-jarigen.
  • De vruchtbaarheidscijfers van 31-jarige vrouwen stegen in de periode 2003-2008 het sterkst: nl. van 114 kinderen naar 141 kinderen per 1.000 vrouwen. Dit is een gemiddelde stijging van 5 kinderen per 1.000 vrouwen per jaar.
  • Het vruchtbaarheidscijfer is 10 of lager per 1.000 bij vrouwen jonger dan 18 jaar of ouder dan 40 jaar. Dat geldt zowel voor 2007 als voor 2008.

Totaal aantal geboortes per 1.000 vrouwen naar leeftijd (leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer), Vlaams Gewest, 1998, 2003 & 2008

Aantal geboortes naar leeftijd - Klik voor een groter beeld

Bron: geboortecertificaten - sterftecertificaten zuigelingen- NIS bevolking, Vlaams Gewest, 1998, 2003, 2008
Downloadonderliggende cijfers, en cijfers 2004-2007 (XLS, 58 kB)

Terug naar boven

Pariteit volgens leeftijd

Hoewel de pariteit, zoals afgeleid uit de geboortecertificaten, niet 100% betrouwbaar is, is het aantal en de verhouding van vrouwen die voor het eerst moeder worden vergelijkbaar met de bevindingen van het Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE) en Kind & Gezin. De cijfers over moeders met pariteit 1 en volgende moeten echter met meer voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.

Algemeen kunnen we stellen dat het aantal vorige bevallingen toeneemt met de leeftijd.

  • Bij tienermoeders is het niet verwonderlijk dat meer dan 86% in 2008 pas hun eerste kindje kreeg.
  • Bij 20-24-jarigen is het aandeel van vrouwen die voor de eerste keer bevallen al gedaald tot 69%.
  • Ook bij 25-29-jarige moeders is het aantal primipare vrouwen nog altijd hoger dan het aantal vrouwen die eerder al een kindje kregen (56% primipaar).
  • Hoewel 1 op de 4 vrouwen van 40-44 jaar in 2008 voor het eerst moeder werd, werd in deze oudere leeftijdsgroep bijna de helft voor de derde keer of meer moeder (pariteit 2 of hoger).

 Procentuele verdeling van pariteit (aantal vorige bevallingen) naar leeftijd moeder, Vlaams Gewest, 2008  

Pariteit naar leeftijd 2008 - Klik voor een groter beeld

Bron: geboortecertificaten - sterftecertificaten zuigelingen, Vlaams Gewest, 2008
Downloadonderliggende cijfers (XLS, 40 kB)

Terug naar boven

Bevallingscijfer volgens pariteit

  • De piek van de rode curve in de onderstaande figuur toont aan dat in 2008 gemiddeld 76 op de 1.000 vrouwen tussen 25 en 29 jaar voor het eerst bevielen. Dat is iets hoger dan het cijfer van 2007. In dezelfde leeftijdsgroep bevielen nog eens gemiddeld 60 op de 1.000 vrouwen voor de tweede of volgende keer (multipara). Ook dat is een lichte stijging ten opzichte van 2007 (59 op de 1.000 vrouwen).  
  • Bij vrouwen tussen 30 en 34 jaar waren er gemiddeld 75 op de 1.000 die al voor minstens de 2de keer bevielen. Ook dat is een stijging tegenover 2007 (72 op de 1.000 vrouwen) en 2006 (71 op de 1.000 vrouwen). Het aantal eerste bevallingen in deze groep is veel kleiner, nl. gemiddeld 41 op de 1.000. In 2007 was dit 39 op de 1.000 vrouwen.
  • Een vergelijking van de leeftijdspecifieke bevallingscijfers naar pariteit tussen 2007 en 2008 toont aan dat de stijging in 2008 toe te schrijven is aan zowel primipare als multipare vrouwen.

Leeftijdsspecifiek bevallingscijfer (aantal bevallingen per 1.000 vrouwen) en pariteit, Vlaams Gewest, 2008 

Leeftijdspecifiek bevallingscijfer en pariteit 2008 - Klik voor een groter beeld

Bron: geboortecertificaten - sterftecertificaten zuigelingen - NIS bevolking, Vlaams Gewest, 2008
Downloadonderliggende cijfers en cijfers 2007 (XLS, 44 kB)

Terug naar boven

 

Multipara: Vrouwen die voor de 2e of volgende keer bevallen zijn (soms gebruikt men hier ook de term pluripara voor).
Pariteit: “Het aantal malen dat een vrouw bevallen is van een levend of doodgeboren kind” (medisch zakwoordenboek) of “het aantal verlossingen dat een vrouw heeft doorgemaakt”(jaarverslag SPE)
Primipare vrouwen: Vrouwen die pas voor de eerste maal bevallen zijn (soms gebruikt men hier ook de term nullipare vrouwen voor).
SPE: Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie